Startpagina.
Reisverslagen.
Het schip.
Wie zijn wij.
Het plan!.
Contact.
Verslag 65  Canada 2 > 2012 > We gaan weer noordwaarts!

Victoria > Sidney (Canoe Cove) > 3-04-’12
De lijnen gaan los! Na zes maanden aan een steiger in de binnenhaven van Victoria BC op Vancouver eiland gaan we eindelijk weer ’on the move’. Niet helemaal zoals gehoopt want de fok en de genua liggen beide in hun zeilzak onderdeks, maar onze boeg snijdt weer door het water terwijl we, uitgezwaaid door Ruth en Ralf van de Deo Valente, geflankeerd door opstijgende en landende watervliegtuigjes, de haven verlaten.
De wolken hangen laag als een grauwe deken boven ons en het spat nog wat terwijl een mooie maar snijdend koude wind ons om de hoek begroet. Sorry wind vandaag kunnen we niets met jou. Tijdens het monteren van een nieuw navigatielicht in het topje van de mast hebben we haarscheurtjes ontdekt bij het aanhechtingspunt van de kotterstag en aangezien veiligheid voor alles gaat willen we er door een professional naar laten kijken voor we hem belasten. Aangezien de twee personen die hier in gespecialiseerd zijn beiden in Sydney wonen en we van anderen weten dat er een goede werf is, koersen we daar dus naar toe.  
Met het verlaten van de haven krijgt Witte Raaf haar ‘zeevasttest’ waarbij er ondanks serieuze voorbereiding toch nog wel het één en ander aan de rol gaat. Tja wat wil je na zes maanden landrotten.
Alsof de duvel er mee speelt staat er een prachtig zeilwindje dwars-in en we kijken jaloers naar twee mooie oude tweemasters die onder zeil oude tijden oproepen.

Canoe Cove ligt ten noorden van het stadje Sidney, verstopt tussen een aantal kleine eilandjes. Ze hebben een plekje voor ons in hun haven en voor we het weten zijn we in gesprek met één van de twee specialisten
die een half uur later in onze mast hangt en het euvel bekijkt. Volgens Brent de manager van de firma Blackline is het goed dat we de mast op weg hier naar toe niet hebben belast. Lassen op die hoogte is lastig met aluminium omdat het benodigde gas vervliegt dus als we het goed willen aanpakken moet de mast eraf. Twee tot drie weken en een dikke buidel flappen is zijn eerste reactie.
Even serieus, hij heeft een andere boot waar de mast af moet dus die kan hij combineren met Witte Raaf zodat de kosten van de benodigde kraan niet helemaal op ons conto komt en nu
we zo vroeg in het seizoen komen, kan hij ons nog wel inpassen in het werkschema. Als wij nu tussentijds gewoon gaan varen en met een week of twee terugkomen dan zal hij kijken wat hij kan doen. We kunnen de komende dagen aan zijn steiger liggen dus dat scheelt weer havengeld en het geeft ons de gelegenheid alle voorbereidende acties zelf uit te voeren, TOP!
We varen om en leggen Witte Raaf tussen de aluminium boothuizen vast. Gelukkig hebben we naar achteren een prachtig uitzicht op de omliggende eilandjes waar een reiger het leven van twee Canadese ganzen zuur maakt, anders zouden we hier al snel een klein depressietje kunnen oplopen.  

Canoe Cove (Sidney) > 4-04-‘12
We ontmantelen de giek en bereiden de verstaging voor waarbij we ze tapen en markeren zodat we bij het terugmonteren tenminste weten welke stag waar moet en op welke stand. Ray komt even langs, zijn boot ligt hier in de marina en we douchen en wassen tussen neus en lippen door. Wij zijn er klaar voor.
 
Canoe Cove > Anette Bay > 5-04-’12 > 48 50 1N / 123 23 9W > 12 nm
Precies om acht uur varen we de smalle doorgang in naar de travellift en manoeuvreert Jan Witte Raaf keurig langzij een ponton waar we vastmaken. De kraan is er al maar hij verwijdert eerst de mast van het
andere schip. De mannen in het wit hebben dit duidelijk vaker gedaan en gaan uitermate professioneel te werk. Eentje gaat in een sling naar de top en haalt de windvaan omlaag, de anderen maken ondertussen de voor en achterstag los en nemen de spanning van de zijverstaging af en voor we het weten hangt onze rood-wit-blauwe trots in de touwen en zweeft door
de lucht waarna ze met veel beleid omlaag komt en op een karretje wordt gelegd. Nu kunnen we de haar-scheurtjes in alle rust bekijken. Het blijkt dat dit punt voor onze tijd al een keer eerder is gelast en we zijn beiden blij dat we voor deze toch wel wat rigoureuze oplossing hebben gekozen want de scheurtjes zijn groter dan ik dacht en de mast is hier duidelijk in goede handen.
Na een gezellig ontbijt met Ray die er in alle vroegte ook weer bij is, steekt Jan Witte Raaf
kunstig achteruit en draait haar op haar plek. We gaan richting Vancouver, tot over twee weken!
Zodra we in open water zijn voelen we het verschil pas goed. Door het ontbreken van het gewicht van de mast zijn de bewegingen van Witte Raaf veel korter en stijver. Ze glijdt niet, ze waggelt!
Gek, gek, gek, we zijn motorboot! Het zicht naar voren is enorm maar er is op het voordek opeens nergens meer houvast. Normaal slingeren we ons onbewust als aapjes tussen de verstaging door en nu is er opeens niets! Ook achterop mis ik de achterstag waartussen ik me normaliter klemvast zet als ik aan het vissen ben. Het enige dat meevalt is dat we Witte Raaf ook zonder mast een mooi schip vinden maar dat is waarschijnlijk niet geheel objectief.
We vinden een mooi baaitje bij Prevost Island. Onze splinternieuwe ankerketting proeft voor het eerst zout! Zeehonden die zowel met kop als rug boven water drijven en er hierdoor meer uitzien als zeekoeien, Canadeze ganzen die er vrolijk op los gakken en sqieken met hun vleugels als ze laag over komen en heel veel verschillende soorten watervogels zijn ons gezelschap. Heerlijk!

Anette Bay > Clam Bay > 6-04-‘12 > 48 58 8N / 123 38 7W > 13.8nm
Op stroom varen scheelt hier een hoop tijd en brandstof dus we gaan pas rond 11.00 uur verder. We besluiten nog een dagje aan de binnenkant van de Northern Gulf Islands te blijven want we hebben geen van beiden zin om direct weer in een grote stad te liggen. Helder, zonnig edoch koud is het vandaag. We houden het een half uurtje vol op ons nu meer dan riante voordek waar we koffie drinken. Als we ondanks de hete koffie door en door koud zijn verdwijnen we toch maar naar binnen waar de kachel brandt.  

Ons plan om naar North Cove op Thetis Island te gaan, passen we gedurende de vaart aan als we langs Clam Bay varen. Een mooie ruime baai met een prachtig jutstrand. Het is opkomend tij dus als we nog lekker willen struinen moeten we opschieten. Lieke gaat te water en voor ze het weet ligt ze met haar buik in de modder. Jan ontdekt sporen langs de waterkant die verdwijnen in een enorm boomwortelstelsel. Volwassen en hele kleintjes door elkaar. Zijn ze van een wasbeer-familie of van rivier otters? Heel veel kleine gangetjes in het zand lijken in eerste instantie afkomstig van pieren maar blijken bij nader onderzoek
afkomstig van slakjes in kleine wenteltrapachtige schelpjes. Terwijl we na twee uur lopen rustig terug roeien, worden we begeleid door een nieuwsgierige zeehond die helemaal niet schuw is. Uit de wind, in het zonnetje in de kuip fröbel ik een babykelpje tot paashaas terwijl Jan twijfelt aan mijn verstandelijke vermogens. Tja wat wil je na zes jaar op Witte Raaf?
Clam Bay > Port Graves (Gambier Island) > 7-4-‘12 49 28 4N / 123 21 4W > 32.8nm
We moeten vandaag door de Porlier passage en aangezien er in deze doorgang negen mijl stroom kan staan rond springtij is het belangrijk dat we het tijdstip van passage plannen op het tij. We gaan dus pas rond elf uur anker op en spoelen een
uurtje later keurig met het net opkomende tij door het gaatje de Straight of Georgia in. Het is extreem helder vandaag en de bergketen op het vaste land ligt met zijn besneeuwde toppen te schitteren in de zon. Met een gestaag toenemende wind tegen stroom, rolt Witte Raaf als een bokkig badeendje voorwaarts. Spullen die tijdens de afgelopen jaren nog nooit van hun plaatst zijn gekomen, rollen nu door de kajuit en we zijn beide blij als we vier uur later in de luwte van Keats Island het Collingwood Channel
opvaren. Port Graves de zuidelijke inlet op Gambier Island biedt de broodnodige rust voor Witte Raaf en haar opvarenden. Pffffft.

Port Graves > 8-4-‘12
Tja en dan is het alweer pasen. Vorig jaar in Mexico hebben we het twee keer gevierd waarbij ik de tweede keer de traditie van eieren schilderen toch nog in ere kon houden en vandaag is er geen enkele reden om dat niet weer te doen dus komen penselen en verf tevoorschijn en even later ontstaat er een rondlopend berg/boslandschap waarop Jan met een vrolijke blauwe disk staat afgebeeld. Mijn ei blijft hemelsblauw want het is prachtig weer en de wal lonkt.
We meren Lieke af aan het publieke steiger dat gek genoeg uitmondt in een privé vakantiekamp van de Anglicaanse kerk maar direct aan de waterkant begint een wandeling die is aangegeven met vrolijke blauwe ruitjes en langs het privé terrein loopt dus gaan we in de benen.
Heuvel op, heuvel af, langs immens grote uitgeholde ceder stronken waar jonge boompjes uit omhoog schieten. Enorme varens en diverse mossen en zwammen bekleden de boomstammen terwijl we via een
rivierbedding een berg opklauteren. Prachtig is het en volledig verlaten.
Maar,….hoe zit het eigenlijk met beren? Wonen die hier ook en wanneer houden ze eigenlijk op met hun winterslaap? Bestaat er kans dat we opeens met zo’n teddy het pad kruisen die na zes maanden snurken met zekerheid rammelt van de honger?
Na twee uur klimmen en klauteren, rijst de vraag waar dit uitgezette spoor naar toe gaat. Het zal toch wel rondlopen en eindigen op ons beginpunt? Gaandeweg realiseren we ons dat we misschien toch wel ‘een beetje’ ondoordacht aan onze paas-activiteit zijn begonnen want normaliter hebben we, zodra we een gebied intrekken waar geen hulp te verwachten valt, een soort EHBO pakketje bij ons en hier was bearspray misschien toch ook geen gek idee geweest.

Samen met Patries bezoek ik een bijna lege Ikea omdat deze volgende week verhuist naar een nieuw gebouw. Ikea is BIG hier in Canada omdat het in tegenstelling tot de meeste vrij conservatieve meubelwinkels moderne trendy spullen verkoopt. Het daaropvolgende bezoek aan de Nederlandse winkel met veel Delfts blauw, echte houten klompen, met
tulpen beschilderde laarzen en een rood-wit-blauwe klok met windmolens compenseert de leegte van de Zweedse meubelgigant.

Irene loopt krom van de voor ons meegebrachte spullen waaronder naast veel drop en rookworst, nieuwe door Gijs georganiseerde onderdelen voor de anker-winch en een reserve set rubbertjes voor de toilet-pomp. Waar je al niet verlegen om kunt zitten. Haar aanwezig-heid is heerlijk en zoals altijd te kort maar we genieten beiden van dat wat er is. Bedankt lieve Reentje!

En als klap op de vuurpijl komt Georgette ons halen voor een bezoek aan haar gezin en huis in Coquitlem, een prachtig dorp net buiten
Vancouver. Georgette, een oud collega van Transavia woont hier ondertussen samen met haar gezin al weer een aantal jaar en de ontzettend gezellige dag vliegt om met het ophalen van herinneringen terwijl we kennis maken met hun knullen, Alec en Colin. Fantastisch om te zien hoe ze hier gezamenlijk in Canada hun plek hebben gevonden.  
Na een week vol contradicties van heerlijke ontmoetingen en een intens verdrietig afscheid, roept onze mast vanaf de overkant.

False Creek > Annette Inlet > 21-04-’12 > 48 50 1N / 123 23 4W > 37.4nm
We leren het nog wel. Als volleerde motorbootvaarders hebben we de perfecte dag uitgekozen voor onze oversteek van het Canadese vasteland naar Vancouver eiland. De rook gaat recht omhoog en de zon kruipt nog maar net boven de horizon uit als we False Creek verlaten.
Op onverklaarbare wijze heeft een bout zich uit de ankerrol gewrikt waardoor het een heuse uitdaging wordt onze nieuwe veel zwaardere ankerketting omhoog te krijgen. Creatief denken, een schroevendraaier en ducktape bieden uitkomst.
Terwijl we over een spiegelgladde Straight of Georgia tuffen, duiken rondom kleine zwart witte dolfijnachtige op. Ze hebben een vrij stompe kop, witte vlekken op hun flanken en de kleine scherpe rugvin steekt wit af tegen de glanzende zwarte rug. ’t Zijn Dall porpoises, een type bruinvis, leren we later.
Active Pass, één van de doorgangen naar de binnenroute tussen de Gulf Islands en Vancouver Island is leeg en we passeren keurig op doodtij. Zodra we er door zijn, koerst er een grote ferry in en even later komt er een andere uit. Hoebedoelu planning? We zoeken ons plekje in Annette Inlet weer op want daar ontmoeten we morgen als het goed is Ray en Sandy.

Het is prachtig weer en bij gebrek aan Ray en Sandy gaan we aan de wal. Reusachtige maar lege oesterschelpen liggen opengesperd in het slik waar we Lieke landen. Een groep Canadese ganzen gaat in de vleugels zodra we naderen en verder is het er zonnig en stil. Terug richting Lieke snijdt Jan de hoek af waarbij hij wegzinkt in het slik. Waar hebben we dit eerder gehad? Tja toen was Gijs erbij om Jan te redden, nu is dat mijn taak. Met een lange stok glibber ik richting de steeds verder wegzinkende zielepoot. Terwijl ik langzaam de zuigende kracht van het slik aan mijn laarzen voel trekken, krijgt Jan uit uiteinde van de stok te pakken en trekt!
De ruk om zijn balans te herstellen is voor mij teveel en voor ik het weet lig ik om, plat op mijn billen in de smurrie! Mijn brede achterwerk biedt gelukkig voldoende weerstand tegen het wegzinken waardoor Jan zich met behulp van de nu stabiele stok los kan trekken met laarzen en al. Heel fijn, maar je moet er soms wel heel veel voor over hebben om je lief uit een netelige situatie te redden!!
Terwijl ik mijn kleding slikvrij probeer te krijgen, komt er een dinghy om de hoek. Het is Ray die in de baai hiernaast ligt. Dat blijkt Annette Inlet te zijn, wij liggen volgens hem in Selby Cove! We hebben geen zin om met Witte Raaf te verkassen dus gaan we tegen de avond in Lieke naar Timaru Nui voor een heerlijk maaltje verse krab bij Ray aan boord.

Selby Cove > Canoe Cove > 23-04-’12
Bij aankomst in Canoe Cove mogen we naast de kraan afmeren waar we overmorgen onze mast weer terugkrijgen. ’s Middags komt er een monteur naar onze al twee jaar onregelmatig lopende generator kijken en wonderen bestaan, na uren zoeken vinden Jan en hij een gescheurd ringetje die een afdichtertje in de brandstofpomp op zijn plek moet houden.  ’s Avonds smullen we samen met Judi en John bij Sandy en Ray thuis! Yammie.
De reparatie aan de mast ziet er goed uit en tijdens de inspectie hebben ze de twee buitenste stagen vervangen omdat deze bij de bovenste spreader een pletting vertoonden. Al met al ziet het er fantastisch uit zeker nadat we hem hebben gewassen en met was hebben ingesmeerd.

Canoe Cove > Clam bay > 25-04-’12 > 48 58 9 N / 123 39 1W > 25 nm
Om acht uur hangt onze mast in de touwen en een half uur later staat hij aan dek, met de euro van Frans weer onder de voet. Terwijl de rigger de verstaging stelt, hangen wij de giek op zijn plek en hijsen we de zeilen. Na een ochtend hard werken zijn we weer een zeilboot!
We hebben geen van beiden zin hier langer te blijven dan nodig en het tij met de bijbehorende stroom staat dusdanig dat we alleen ’s middags kunnen varen dus besluiten we dezelfde dag nog te vertrekken en te kijken hoever we komen. We nemen afscheid en om 16.00 uur varen we Canoe Cove uit. Om half acht ratelt onze ketting omlaag en na het eten rollen we beiden afgepeigerd maar voldaan onze kooi in. Morgen nemen we een welverdiend dagje vrij!

Clam bay > Nanaimo > 27-04-’12 > 49 10 5N / 123 55 8W > 17 nm
Dodd Narrow dwingt ons vroeg uit de veren. Sinds we onze mast weer op ‘t dek hebben, hebben we nog geen noemenswaardige wind gehad dus zijn we motorboot met mast maar wel ééntje die zich sierlijke en vloeiend door het water beweegt. Onze stroomberekening klopt als een bus Dodd narrow is doodkalm. De enige beweging in het water om ons heen wordt veroorzaakt door opduikende zeehondenkoppie’s en heel veel ronddrijvende boomstammen die door de meeuwen en aalscholvers als vlot worden gebruikt. Vooral bij de enorme houtverwerkingsfabriek moeten we zigzaggen tussen de stammen die losgekomen zijn uit de hier aangevoerde houtvlotten. Om negen uur liggen we ,op hetzelfde plekje als vorig jaar september toen de familie ons een bezoek bracht. Regen en wind melden zich zodra we goed en wel liggen dus kachel aan en luik dicht. Tegen het eind van de dag toch maar even aan de wal voor een vers broodje. Een forse afstand voor onze kleine Lieke maar gelukkig is de wind gaan liggen dus regenjack, kaplaarzen en reddingsvesten aan, (goed hè Gijs) VHF radio, een zaklamp en extra benzine mee en goed uitkijken voor landende en opstijgende vliegtuigen. Watervliegtuigen welteverstaan.

Nanaimo > Deep Cove > 28-4-’12 > 49 27 91N / 124 43 93W > 39.8nm
Bij het eerste ochtendlicht scharrelen we via de noordelijke ingang naar buiten en eenmaal vrij van de eilanden blaast een mooie zuidooster onze zeilen vol. De motor mag uit. Sinds zeven maanden eindelijk weer eens echt onder zeil met alleen het bruisen van het boegwater en het suizen van de wind. Na een aantal uren genieten, krimpt onze vriend naar het zuiden waardoor het nog een uitdaging wordt om een vrij ver uitstekende ondiepte te vermijden maar daarna draaien we onze geplande ankerbaai in en is het over met de pret. Niet alleen met de zeilpret, ook met het weer. De wind neemt toe en jaagt regenflarden over. De omgeving ziet er guur en ongastvrij uit. Ons boek en de kachel zijn sterker, we blijven lekker aan boord.

Deep Cove > Comox > 29-4-’12  
Het leven is mooi! De zon schijnt, de hemel is blauw alleen de wind laat nog niet echt van zich horen dus we
beginnen op de motor maar al snel kan deze uit en varen we op ons gemakje recht voor het lapje richting
Comox. De recht op ons afzeilende boot blijkt Kasala met Dough en Lyneita, onze Canadese vrienden waarmee we in Hawaï lagen, die van hun eerste zeildag van het seizoen genieten. Ze zijn zo licht als
een veertje zonder water en/of brandstof en halen ons plagend links en rechts in. Eenmaal binnen de pieren gaan we eerst tanken en zodra we 200 liter hebben ingenomen, manoeuvreert Jan ons keurig achterwaart langs het steiger waar
Ria en Waldy van Talagoa onze lijntjes
aannemen. Wat een gezelligheid. ’s Avonds vieren we het weerzien op Witte Raaf.

Comox
Bijpraten, een kopje koffie, bijpraten, een biertje, bijpraten, een etentje bij Dough en Lyneita, bijpraten en en-passant boodschappen doen en wassen. De dagen vliegen om, gevuld met gezelligheid. Ria en Waldy zijn de hele winter in Nederland geweest en Talagoa is er technisch nog niet geheel klaar voor dus wij gaan vooruit en zij verwachten over een weekje los te kunnen gooien.

Comox > Seymour Rappids > Billy Goat Bay > 2-5-’12 > 50 23 9N / 125 52 1W > 63.9nm
We zijn er klaar voor. Waldy en Ria zijn met de auto op weg naar Nanaimo dus we verlaten de haven in stilte. De zandbank levert geen noemenswaardige problemen op en eenmaal buiten op de Strait  of Georgia varen we onder een blauwe hemel noordwaarts, terwijl we genieten van de boven ons oefenende Canadese Flying Snowbirds die met negen toestellen adembenemende capriolen uithalen in een schitterende privé airshow.
Als we bij slack bij de Seymour Narrows willen zijn moeten we minimaal zes knopen varen dus snort de motor op een hoog toerental. Net als vorig jaar staan er bij de eerste vernauwing voor Campell River, staande golfjes waarbij het lijkt of het water rondom ons kookt. We zijn een beetje laat waardoor we voor de echte vernauwing al stroom tegen krijgen maar erin is het rustig. Geen enge grote draaikolken dit keer en zodra we erdoor zijn, krijgen we de stroom aan de andere kant mee. De wind komt van alle kanten om de
bergen heen dus halen we de zeilen weg. Bij bochten spuiten we vaak met negen knopen over de grond en we komen veel te vroeg bij onze geplande ankerplek aan dus gaan we door terwijl ik op zoek ga naar een nieuwe plek. Billy Goat Bay ligt verstopt bij een eilandengroepje vlak achter een rif bij een vernauwing van het vaarwater. Het heeft een smalle ingang waar de stroom langs raast maar daar draait mijn schipper zijn hand niet voor om en zodra we tussen de twee rotspartijen in varen valt de stroom weg. Zigzaggend komen we in een heel klein baaitje uit. Kleiner dan we hadden verwacht maar we passen net en de ankerketting ratelt. De hertjes op de kant
laten zich hier gelukkig niet door afschrikken.









Billy Goat Bay > Port Neville > 3-5-’12 > 50 30 4N / 126 04 2W > 12.6nm
Onze vrij kleine baai biedt niet echt veel ruimte om te draaien en als we horen dat er ruim twintig knopen wind uit het noorden wordt verwacht besluit mijn schipper dat we voor die tijd naar het 20 mijl verderop gelegen Port Neville moeten omdat hij in deze baai niet voldoende bescherming verwacht. Met hoog water hebben we wat meer manoeuvreer ruimte en ziet het er allemaal wat ruimer uit maar we weten dat er net onder het wateroppervlak rotsen wonen dus kruipen we de baai uit. De stroom bij de ingang valt mee in tegenstelling tot de wind die zonder dat we er binnen iets van merkten al fors doorstaat. Nu we eruit zijn moeten we door, dus stampen we met twintig knopen recht op de kop noordwaarts terwijl we zo nu en dan worden gegrepen door één van de grote  draaikolken waarin het zwerfhout zijn eigen cirkels draait. Met onze nieuwe zwaardere ankerketting liggen we met onze boeg dieper in het water waardoor we regelmatig water aan dek krijgen.
In tegenstelling tot vorig jaar varen we nu het twee mijl verderop gelegen meer op waar ik meer bescherming verwacht. Fout gedacht want de wind zal de wind niet zijn of hij waait om alle hoekjes heen en vindt ons dus ook hier waar ik ons wil verstoppen. Maar de ankergrond is prima dus waai er maar op los.

Port Neville > Growler Cove > 4-5-’12 > 50 32 51N / 126 36 36W > 25nm
Het tij staat niet gunstig meer omdat we, nu we verder naar het noorden het omslagpunt hebben bereikt, met afgaand water moeten varen in plaats met het opkomende tij van hiervoor. Bij het radio-netje horen we van Ralf dat je hier goed krabben kunt vangen dus wordt Lieke gelanceerd en gaan we op pad. De eerste keer zetten we de krabbenfuik vrij diep en als we na een uurtje gaan kijken zit er één in. Het is een mooi maatje met grote zeepokken op zijn rug maar één krab is geen krab dus zetten we hem een beetje ondieper nogmaals en laten de ene krab erin zitten om anderen aan te trekken. Als we na een paar uur gaan kijken zijn ze met z’n vijven maar wat schets onze verbazing, onze eerste vangst heeft op de één of andere manier de benen genomen. Maar ons hoor je niet zeuren, we hebben er vijf dus op naar de centimeter want ze moeten op het schild van hoek naar hoek 16 cm meten en het mogen geen vrouwtjes zijn om de voortplanting te garanderen. Twee blijken onder de maat dus die moeten nog even groeien maar de overige drie mogen de pan in.
Nu zijn er verschillende manieren om een krab dood te maken. De eerste is net als de kreeft, kop voorover in kokend water maar aangezien de krab veel meer rommel onder zijn schild met zich meedraagt dan de kreeft, wordt het kookwater een smeerboel. De tweede manier is het schild er af trekken terwijl de krab nog leeft en hem dan knakken en uitspoelen en de derde manier is hem op een scherpe rand in het midden van het schild door midden breken waarbij hij direct dood gaat en hem daarna uitspoelen. Jammer genoeg kunnen we een krab niet net als onze vissen verdoven met een borreltje dus lijkt ons de derde manier het meest
‘humaan’. Mijn stoere jager vindt dit toch een beetje veel van het goede en bedenkt spontaan dat deze klus mij als Zeeuwse op het lijf geschreven staat. Aangezien iemand het moet doen en we maar met z’n tweeën zijn, zit er niets anders op. Met een zwaar gemoed pak ik de eerste en leg zijn schild op de rand van ons zwemplatform. Met een harde klap, breek ik het schild doormidden en spoel de inhoud van het schild schoon. Pffft, echt leuk vind ik dit niet maar ik hoef gelukkig niet echt veel kracht te
zetten en hij was direct dood. Terwijl we rond 16.00 uur de baai uitvaren dompel ik zes stel poten en scharen onder in een pan kokend zeewater en twaalf minuten later komen ze er mooi rood uit. Amay wat is dit lekker!
Om acht uur varen we de hele smalle Growler Cove in en later achterin ons anker zakken. Door stilte omringd.

Growler Cove > Port McNeil > 5-5-’12 > 50 35 50N / 127 05 43W > 19nm
In ons smalle baaitje is het muisstil. De bomen aan de kant weerspiegelen in het rimpelloze water. Een geruisloos sprookje. Het is hoog water maar we hebben gisteravond bij binnenkomst gezien waar de rotsen zich onder water verstoppen. Voorzichtig om de stilte niet te verstoren brommen we naar buiten. Geen wind vandaag, de motor draait terwijl we zigzaggend tussen grote boomstammen en stronken door manoeuvreren op hoogte van Alert Bay. De hoogste totempaal ter wereld toornt hoog boven het dorp uit. Hier vierde Jan vorig jaar zijn 65ste verjaardag achter de geraniums. In Port McNeil besluiten we eerst te tanken zodat we vrij zijn om op een door ons gekozen tijdstip te vertrekken. De jongeman van het tankstation is zo vriendelijk en behulpzaam, hij vult tussen neus en lippen door onze lege gasfles, dat we kiezen voor zijn nieuwe nog lege dok.

Port McNeil > 6-5-‘12
We zingen voor Douwe en Steef en besluiten daarna het dorp te verkennen want daar is het vorig jaar niet van gekomen. Eenvoudige houten huizen en een groot plein met daaraan alle gewenste winkels en speciaal voor
vandaag een uitstalling van glimmend gepoetste Harley Davidson’s.
Onze geplande wandeling naar de volgens lokale begrippen grootste knoest ter wereld is al afgelopen zodra we het dorp uit zijn want daar ligt hij onder een afdakje uitgestald. Dan maar op zoek naar het houtverwerkings-
bedrijf een eindje verderop. Terwijl we keuvelend over een asfaltweg wandelen, huppelt er opeens vlak voor ons een klein zwart beertje over de weg. Waarschijnlijk schrok hij zich een hoedje van ons want hij schiet aan de overkant het bos in en het enige dat we nog horen, is het zich verwijderende geritsel.
Maar waar een kleintje is volgt de grote of gaat het hier om een verstoten jaarling? Gek hoe bewoond gebied ons op een verkeerd been zet. Onze bearspray ligt zoals gewoonlijk weer doelloos in de kaartentafel aan boord dus we zullen het ook vandaag bij een eventuele ontmoeting weer van onze indrukwekkende omvang moeten hebben.
De houtverwerker heeft een grote slagboom voor de ingang maar gelukkig lezen we geen van beiden Engels dus kunnen we erlangs. Bij het water liggen her en der stapels stammen. Alle bomen zijn ontdaan van hun takken en bast en liggen keurig op dikte en lengte gesorteerd.
Op een groot stuk grond staan grote beugels waar boomstammen keurig op maat in liggen terwijl er in het water tussen palen andere boomstammen liggen die samen gebonden worden tot enorme vlotten. Sommige bomen worden dus over de weg vervoerd want de beugels passen op grote vrachtwagens terwijl de overigen via het water gaan. Zou er verschil gemaakt worden in houtsoort qua vervoer? Er is jammer genoeg niemand aan wie we het kunnen vragen.
 
Port McNeil > Clam Cove (Nigei Island) > 6-5-’12 > 50 51 96N / 127 40 27W > 33 nm
Vandaag willen we naar een baai aan de noordkant van Vancouver eiland die een mooi uitgangspunt vormt voor de oversteek naar het noorden. Terwijl ik naar de bakker ga voor het laatste verse brood, koopt Jan nog wat olie en betaald het havengeld. Om half elf varen we uit met prachtig weer. Bij de vuurtorenwachter vindt een vergadering van visarenden plaats en met het beetje wind dat er staat motorzeilen we langs verschillende eilanden tot de zuidpunt van Nigei eiland. Zonder elektronische kaart was deze ingang geen optie geweest maar met behulp van Max sea varen we met negentig graden bochten om rotseilandjes heen waarna de baai zich voor ons opent. Bij de ingang aan stuurboord liggen een aantal aan elkaar gebouwde drijvende huizen die geen woonboot kunnen worden genoemd maar wel een kleine gemeenschap vormen. We ankeren achterin. Rond schemer gaat hun generator aan waarna er heuse ‘straat’lantaarns gaan branden. Het ziet eruit als een knusse watergemeenschap.  

Clam Cove (Nigei Island) > 7-5-’12
Het waait hard buiten maar hier in onze baai liggen we mooi beschermd. We maken Witte Raaf klaar voor de oversteek naar Alaska. De plexiglazen voorzetramen gaan voor de kajuitramen, de grote stuurboord winch wordt uit elkaar gehaald en gesmeerd, het matrozenbed wordt slaap-klaar gemaakt, de broodmachine mag uit de kast en natuurlijk moet alles nog wat beter zeevast worden gezet. Ondertussen vangt onze krappot een prachtige vuurrode krap die nog roder uit de pan komt dan dat hij erin ging. Mmmmmm, zo lekker.  

Clam Cove (Nigei Island) > ? > 8-5-’12  
Oké, het is zo ver ondanks dat het weer er vanochtend nog niet echt denderend uitziet gaan we het toch proberen want als de weersvoorspelling klopt, verminderd en draait de wind tegen het begin van de middag en morgen ziet het er de hele dag goed uit dus dat zou ons de mogelijkheid kunnen geven Alaska vrijdag tegen de middag te bereiken zonder verdere tussenstops. Voor het geval de voorspelling niet klopt hebben we langs de hele route uitwijkhavens opgezocht waar we eventueel kunnen schuilen.
We slalommen om rotsen en kleine eilandjes onze beschermde baai uit naar het open water van de Queen Charlotte Strait terwijl er hagel op het dek klettert. Hagel! Niet gewoon koude regen maar kleine gemene witte harde ijsklompjes!
Scherp aan de wind met zo’n twintig tot vijfentwintig knopen komen we langzaam vrij van Vancouver eiland waardoor de deining vat op ons krijgt
die na een aantal dagen storm is opgezwiept tot zo’n vier meter. Gelukkig is de hagel inmiddels overgewaaid, die geselt nu het vaste land van Canada. Stuurboord voor ligt Cape Caution, een kaap waarvoor gewaarschuwd wordt hem ruim te ronden dus zijn we genoodzaakt de motor erbij te houden om hoogte te houden en waar mogelijk te winnen.
Witte Raaf klimt en daalt terwijl ik en mijn maag twijfelen of dit nu de ideale omstandigheden zijn om in te slingeren na een winter van landrotten. Terwijl ik mijn maag moed inspreek hoort Jan een verandering in motorgeluid. Shit geen koelwater! Motor uit! Door het gebrek van dat extra duwtje in de rug vallen we zo’n dertig graden af naar stuurboord richting de kaap. Jan bespreekt het probleem met Wiebe, Bram en Waldy via de korte golf radio. De wierpot is schoon en leeg. Zou het de impeller zijn?
Aan stuurboord zien we de branding op de rotsen bij Cape Caution stukslaan. We gaan overstag, zodat we vrij blijven van die ellende, terug richting Vancouver Island waar we als we dit probleem niet zelf op kunnen lossen, assistentie kunnen vragen in bijvoorbeeld Port Hardy. De wind is uiterst onstabiel. In buien en net ervoor neemt hij toe tot zo’n 25 knopen. Zodra de bui voorbij is mogen we blij zijn met een knoop of 6 waardoor Witte Raaf een speelbal wordt van golven en deining. Jan verdwijnt de machinekamer in om de impeller te checken en te kijken of er geen verstopping in de koelwaterinlaat zit.
Ondertussen zorg ik ervoor dat we niet door de wind gaan wat soms een uitdaging is als deining en golven de overhand hebben op de wind en breng Jan het benodigde gereedschappen. De impeller ziet er goed uit maar door het geslinger is een van de boutjes van de impeller deksel verdwenen en de afsluiter op de inlaat vindt dit het moment om af te breken en terwijl de hagel weer op het dek klettert schuiven we dus van het ene probleem in het volgende. Gelukkig past een ander boutje op de deksel en de slang waar de afsluiter op zat laat zich dichten met één van onze houten pluggen.
Als alles weer dicht zit, start Jan de motor en HOERA er plenst een flinke plons koelwater uit de uitlaat. De oorzaak van het euvel is ons niet geheel duidelijk wat onzekerheid veroorzaakt maar voor nu hebben we de extra power die we nodig hebben. De lucht aan bakboord klaart op terwijl de overgekomen buien op de kust hangen dus draaien we terug op onze oude koers noordwaarts.
Ondertussen hebben we twee getijde lijnen gepasseerd die zich markeren met een hoop drijvend zwerfafval in de vorm van kelpeilanden en rondzwervende boomstammen en aangezien de hoeveelheid ronddrijvende rommel hier erg meevalt besluiten we de nacht door te varen want volgens de weersvoorspelling is het vannacht en morgen rustig en wordt er pas vrijdag ander weer verwacht. Consequentie is wel dat we moeten motorsailen maar dat nemen we op de koop toe want volgens de boeken is er net als in de Med, in de Hecate Strait te weinig of teveel wind dus we pakken dit rustige weergaatje.
Met ons open plan voor vertrek heb ik zowel op het vaste land als op de Queen Charlotte eilanden verschillende geschikte ankerplaatsen opgezocht zodat we te allen tijden kunnen uitwijken al moeten we officieel voor de zuidelijke Queen Charlotte’s een vergunning hebben die ons ontbreekt.   
Mijn maag heeft gewonnen en nu de rust is weergekeerd mag ik naar bed. Van koken komt niet veel, Jan leeft op soep met brood.

Hecate Strait > 9-5-2012
Onze wachttijden lijken nergens op doordat Jan me steeds te laat roept en als hij al te kooi gaat staat hij twee uur later alweer met een verfrommeld maar wakker koppie naast me. ‘Ik ben wakker, hup naar bed jij!’ Vandaag voel ik me een stuk beter en het is mooi weer met vijftien knopen wind van schuin achterin. Nu we in de luwte van de Queen Charlotte eilanden varen is er nauwelijks meer deining alleen vriendelijke ons achtervolgende golfjes die naar gelang de Hecate Strait ondieper wordt, navenant stijler edoch niet indrukwekkend worden. We halen het weerbericht binnen terwijl we onze volgende uitwijkhaven passeren. Morgenochtend 25 knopen toenemend tot storm 35 vanuit het noordwesten die naar verwachting een dag of drie zal doorstaan. Als we met deze snelheid doorgaan kunnen we vannacht rond drie uur bij Dundas eiland zijn. We kennen het gebied daar en weten dat de Brundige Inlet uitermate goed beschermd is en dat weten we van onze eventuele uitwijk ankerplekken niet.
We besluiten door te gaan en alsof ons besluit bevestigd moet worden, worden we verwelkomt door een grote groep bultruggen die met vinnen en staarten op het water slaan terwijl ze her en der opduiken. Onze eerste van dit jaar!        
Onze nieuwe AIS waarschuwt ons voor de achterop lopende MS Volendam van de HAL. Ze passeren ons op een halve mijl en de eerste stuurman roept ons op om te melden dat wij in de zeven jaar dat hij hier nu rondvaart het eerste Nederlandse jacht zijn voor hem. Joepie, hij had ons al op twaalf mijl met naam, koers en vaart opgepikt op zijn AIS en hij komt op korte afstand langs om even naar ons te kijken. De noordelijke overgang van de Hecate Strait in de Dixon Entrance lijkt breed maar bestaat in wezen uit een smal geultje dat diep blijft terwijl de rest een ondiepe zandplaat herbergt met zo hier en daar maar vijf meter water. Van tweehonderd meter diep naar tien creëert niet alleen stijlen golfen maar ook rare draaikolken naast ons.
  
Het is 24.00 uur, mijn ogen willen niet open. We zijn zo’n vijftien mijl verwijderd van de ingang naar onze ankerplaats bij Dundas eiland. Het is stikdonker en nu we dichter bij land komen wil Jan één man aan de dodemansknop om voor het geval we een ronddrijvende boomstronk raken direct de motor uit te kunnen zetten om zo de schroef te beschermen terwijl de ander navigeert. Door deze beslissing kan die arme ziel niet naar bed en moet nog zeker drie uur door.
De regen striemt terwijl de wind ons nu in combinatie met de motor voortstuwt. Door de bewolking hebben we geen maan vannacht en we zien we geen hand voor ogen. We zetten alle apparatuur om op nachtzicht en doven alle andere verlichting. Met onze rode koplampjes verblinden we elkaar niet terwijl we toch alles kunnen zien.
Ik controleer voor de zoveelste keer onze aanvaar- en invaarroute. We zijn hier vorig jaar geweest en weten dat de kaart van Maxsea honderd procent correct is anders zouden we hebben gewacht tot het licht wordt maar we weten niet wanneer de wind tot stormkracht zal toenemen en willen als het even kan voor die tijd binnen zijn.
Ten westen van het eiland doemt als een vage schim een klein eilandje op. De radar toont de randen zodat we er netjes tussendoor kunnen koersen. De wind draait mee om het eiland en neemt toe tot zo’n 20 knopen. We varen scherp aan de wind en besluiten het grootzeil weg te halen zodat we straks flexibel zijn als we tussen de rotsen bij de ingang door moeten varen. We vinden het beiden spannend maar zijn het er over eens dat we deze ankerplek in het donker aan kunnen. De wind blijft ook aan de noordzijde van het eiland scherp inkomen en pas als we negentig graden draaien, recht op de aanvoerroute af, komt hij van bakboord in. Net voor de ingang rollen we de genua weg. Jan staat achter het roer en geeft door waar de wind vandaan komt terwijl ik aan de computer gekluisterd de gewenste koers en wijzigingen aan hem doorgeef. Wat een vertrouwen!
In eerste instantie worden we door wind en stroom nog teveel naar stuurboord gezet maar eenmaal in de nauwe ingang wordt het rustiger. De baai bestaat uit een aantal kleine meertjes verbonden door smalle kanaaltjes. Langzaam schuift Witte Raaf door de pikdonkere ingang  terwijl ik haar bewegingen in de vorm van een klein rood bootje volg over de kaart. ‘Vier graden stuurboord, tien graden bakboord, nog tien graden bakboord, hard bakboord!’. Jan herhaald mijn commando’s terwijl hij ze uitvoert. ‘We komen nu vrij dicht bij de stuurboord wal Jo’, klinkt het zonder vraag. ‘Ja dat klopt aan bakboord is het ondiep, zo dadelijk mag je wat bakboord uit’. In het eerste meertje krijgen wind en onverwachte stroom vanuit een riviertje vat op de Raaf, net nu we ruimte hebben. Na de tweede vernauwing besluiten we dat het genoeg is, ik stuur van binnenuit terwijl Jan het anker klaart maakt en zodra ik ‘vallen’ roep, ratelt de ketting.
Mijn schipper is keikapot na twee nachten van veel te weinig slaap maar we liggen veilig en wel bij Dundas Island! Laat het nu maar waaien!

Brundig Inlet (Dundas Island) > 4-5-’12 > 54 35 83N/130 52 76W - 284 nm
Het is wat je noemt beestenweer al is er werkelijk niet één beest te zien. De wolken jagen laag over en storten hun inhoud op ons neer. Regelmatig weet een windvlaag ons, ondanks de riante beschutting toch te bereiken en huilt door het want. Het stormt buiten en binnen brandt de kachel. Het rode boeitje van onze krabpot is de enige vrolijke noot in de baai. We zijn net verkast naar een ander baaitje waar we beter beschermt liggen voor de voorspelde winddraaiing naar het noordoosten.

Brundig Inlet CA > Ketchikan US > 13-5-’12 > 55 20 33N/131 38 55W – 57 nm
In eerste instantie zag het er naar uit dat we tot woensdag vast zouden liggen door harde wind maar de voorspelling vanmorgen toont voor vandaag een mooi gaatje dus als de wiedeweerga alles opruimen en vastzetten en omhoog met dat anker. Jan stuurt Witte Raaf keurig in een haakse bocht tussen een onderwater liggende rotspartij en de punt van een eilandje door en dan zijn we vrij van hindernissen.
Terwijl we de zeilen zetten, duikt er een reusachtige rugvin op aan bakboord. Dat kan alleen maar een orka zijn. Even later zien we een kleinere, dat zou dan volgens de boeken een wijfje moeten zijn. Het wijfje koerst rond het eiland maar het mannetje komt recht op ons af en passeert achterlangs. Wat een power. We staan beiden in de kajuit opgewonden te kwetteren over hoe bijzonder dit is als er opeens op nog geen vijf meter voor de boeg een grote zwarte vlek opdoemt. Wow ligt daar een rots die we over het hoofd hebben gezien? We schieten naar
buiten en zien nog net hoe een grote zwarte rugvin in de golven verdwijnt. Was dit een andere orka of hetzelfde mannetje dat ons kwam uitchecken? We zullen het nooit weten!
Met een zuidooster 15 knopen van achterin heeft Witte Raaf een duwtje van de motor nodig om tegen de hier staande oceaan deining op te komen. Zo motorsailen we de Canadees/Amerikaanse grens over en terwijl ik me klaar maak om alle verse groente en fruit die we nog aan boord hebben om te zetten in gekookte of gebakken waar, roept Jan de US Coastgard op om onze binnenkomst te melden. Grappig om te zien hoezeer mensen kuddedieren zijn. Jan heeft zijn gesprek met de Amerikaanse kustwacht nog niet afgesloten of we horen een Canadese motorboot die ongeveer op gelijke hoogte naast ons vaart ook oproepen en dat terwijl het helemaal geen standaard procedure is. De kustwacht zal wel blij met ons zijn maar als buitenlander kun je in Amerikaanse wateren niet voorzichtig genoeg zijn.
Het is meer dan prachtig weer en terwijl de wit besneeuwde toppen van de Alaskaanse bergen langzaam dichterbij komen, bak ik een tortilla, maak huzarensalade en tover de laatste uien om tot uiensoep en de appelen tot moes. Met de man drie sinaasappelen en een zak geschrapte worteltjes lopen we beiden waarschijnlijk een vitamineoverschot op maar als geboren Zeeuwse is weggooien geen optie. Tegen heug en meug dus maar.

Eenmaal in Ketchikan krijgen we een plekje toegewezen in het hartje van de stad, direct naast het Cruiseschipsteiger in het Tomas Basin. Aanleggen blijkt een uitdaging met de dwars inkomende stroom maar even later liggen we en kan Jan de douane bellen. Ze komen hier in tegenstelling tot Hawaï aan boord en tot die tijd mag de bemanning, wij dus, niet aan de wal. Een alleraardigste wat stijve douanebeambte laat zich door Jan aan boord hijsen en na een korte inspectie door de boot worden we verzocht met haar mee te gaan naar het kantoor want als niet Amerikanen/Canadezen hebben we een E19 nodig in ons paspoort.
Nadat onze identiteit is gecontroleerd door middel van een vingerafdrukapparaat, waardoor we hier niet meer anoniem door het leven kunnen, big brother can watch us now, krijgen we de benodigde stempel in ons paspoort en zijn we legaal. Op mijn vraag of de quarantaine vlag uit het want mag wordt heel vaag gekeken, daar heeft ze geen verstand van!

De verlokkende restaurantjes rondom moeten we nog maar even negeren want de Raaf zit vol eten.  Gek hoe dat werkt maar nu we er zijn en alle benodigde zaken zijn geregeld, zijn we opeens afgepeigerd. Onze niet passende stekker voor elektriciteit van de wal is nu een onoverkomelijke hindernis. Morgen gaan we dat probleem wel tackelen. Eerst een nachtje rustig slapen. In verslag 66 verder en voor nu welterusten.
Naar verslag 66