Startpagina.
Reisverslagen.
Het schip.
Wie zijn wij.
Het plan!.
Contact.
Verslag  53  El Salvador
Bahia del Sol – 20-01-2011
We hebben ontzettend ons best gedaan om niet te vroeg aan te komen en de laatste uren hebben we ons zonder zeil laten dobberen op de stroom en……… jawel exact om 15.00 uur zijn we, zoals afgesproken, op het ontmoetingspunt voor de ingang van de monding van Bahia del Sol.
Door onze mooie nieuwe verrekijker ziet de ingang naar de erachter liggende lagune er beslist spectaculair uit
met grote wit opbruisende rollers die omhoog gedreven worden door de voor de ingang liggende zand-banken. Uit al dit bruisende wit duikt een rood stipje op van onze loods op JETSKI. Jawel je leest het goed, Ronaldo kent dit gebied op zijn duimpje en gaat ons gezeten op zijn rode stalen ros tussen de zandbanken door naar binnen begeleiden.
Alle ramen en luiken zijn dicht, we vinden het beiden spannend. Talagoa gaat eerst, we zien haar al surfend naar binnen stuiven. Even later is de rode bromvlieg terug, “oké full speed, follow me” brult hij en stuift weg. Jan stuurt Witte Raaf keurig recht de branding in terwijl ik klaar zit bij de schoten om indien nodig de fok of de genua te kunnen trekken.
De ravenkont wordt omhooggestuwd terwijl een grote roller zich onder ons doorwringt en ons daarbij meeneemt. We surfen, en dat met drieëntwintig ton!
Zodra we over de drempel zijn, is het rustig om ons heen al hebben we met de meestaande stroom nog niet goed door hoeveel stroom er hier staat. Dat ontdekken we pas als we bij de marina het drijvende steiger veel te snel naderen.
Dankzij ons mailtje staat er een ontvangstcomité van douane en immigratie voor ons klaar en zodra we goed en wel liggen, duik ik naar binnen om de scheepspapieren en paspoorten te pakken en schrik me een hoedje van het bildge alarm. We hebben water binnen!!
Jan duikt de machinekamer in, gelukkig de bildgepomp kan het bijhouden en Jan geeft aan dat hij het verder zal onderzoeken in de tijd dat ik de officiële instanties bezoek.

Joepie, zo kan het ook, wat een verschil met Costa Rica! De douane houdt samen met immigratie kantoor in een ruimte van het bij de marina horende hotel en na een half uurtje zijn we ingeklaard en hebben we er weer een stempel in ons paspoort bij. Witte Raaf en wij zijn legaal in El Salvador.

Jan heeft ondertussen niets feitelijks kunnen vaststellen maar hij vermoedt dat het gaat om de schroefas afdichting. We willen niet in de marina blijven liggen maar wel zo dicht mogelijk bij ankeren omdat we nog geen geschikt motortje voor Lieke hebben en we vermoeden dat het met de fors doorstaande stroom wel eens niet eenvoudig zou kunnen zijn om er tegenop te roeien. Zodra we varen doen we een paar testjes om te kijken of Jan’s vermoeden klopt en ……………………….. jawel onvoorstelbaar maar waar, het is weer zover, onze schroefas afdichting is weer lek.

Drie jaar geleden hebben we na ons debacle in Brazilië, in Trinidad een splinternieuwe (volgens de firma onverwoestbare) Profiseal schroefas afdichting geïnstalleerd en nu spuit voor de tweede keer het zeewater onze machinekamer in zodra we de schroef in haar werk zetten. Gelukkig stopt de watertoevoer zodra we haar in haar achteruit zetten. Het anker valt uit zich zelf. Fijn want we weten even niet meer
hoe nu verder.

Een generator die constant een beetje olie lekt waarvan we de oorsprong niet kunnen vinden, een kapotte dynamo of regulator waardoor de accu’s niet worden geladen als de hoofdmotor loopt, een lek magnetisch kompas waardoor de vloeistof eruit is gelopen en deze niets meer aangeeft, de rubber afdichting van het teakdek dat zo hier en daar lekt en nu een lekke schroefas afdichting! Kan er nog meer bij?
Jawel, een ijskast die spontaan al het net diepgevroren vers ingekochte vlees ontdooit, schiet mij maar lek en in de rododendrons, of waren het geraniums??

Totaal gedesillusioneerd voelen we ons. Willen we dit? Kunnen we dit? Moeten we niet gewoon thuis op de bank achter die welbekende geraniums gaan zitten en genieten van alles dat als vanzelfsprekend functioneert?
We hebben totaal geen inzicht wat er hier in El Salvador mogelijk is. Kunnen ze Witte Raaf hier uit het water tillen? Kunnen we de benodigde materialen eenvoudig laten invliegen of komt het net als in Brazilië niet voorbij de douane? Zijn er professionele mensen die ons kunnen helpen?

Vanmorgen hebben we Waldy en Ria verteld dat we ons genoodzaakt zien ons terug te trekken uit het gezamenlijke plan om dit jaar via Hawaï naar Alaska te varen.  
Over een ding zijn we het beiden roerend eens, we willen en kunnen geen tijdsdruk hebben. Ja, we gaan kijken hoe we dit op kunnen lossen en ja we willen nog steeds aan boord van Witte Raaf leven en wonen maar zonder de druk van een doortellende kalender die ons in april de Pacific overstuurt naar Hawaï.
Zijn we er rond die tijd klaar voor dan is dat prachtig, zo niet dan niet of gewoon een jaartje later.

Jan krijgt via via contact met Santos, een alleraardigste El Salvadoriaan die naast vloeiend Engels ook
nog verstand heeft van bootjes. Hij duikt op verzoek van Jan de machinekamer in en heeft even later de dynamo los geschroefd. Die neemt hij mee om te laten doormeten in de stad.
Ondertussen heeft Jan contact via skype met Duitsland waar de seal vandaan komt. Aangezien volgens hun zeggen hun seal niet kapot kan, bieden ze aan om kosteloos een nieuwe op te sturen vanuit Duitsland. Ze versturen hun seals over de gehele wereld en volgens hun levert El Salvador geen noemenswaardige problemen op.
Aangezien het opsturen minstens een week en waarschijnlijk langer zal duren besluiten we om samen met Ria en Waldy met een huurauto, het achterland van El Salvador en Quatamala te bezoeken. Quatamala aandoen per eigen schip is volgens de boeken een kostbare zaak en ligt maar een uur of vier rijden hier vandaan. Op deze manier zien we nog eens iets anders dan alleen water en we bekorten de wachttijd.
We besluiten tot een week waarvan we van het autoverhuurbedrijf toestemming krijgen om vier dagen in Quatamala te verblijven.
We kiezen voor de kust route dus echt zonder water zijn we niet tot we de bergen in trekken. El Salvador is in vergelijk met haar buurlanden Honduras en Quatamala een
redelijk goed ontwikkeld met ‘maar’ 30 % onder de armoede grens levende bevolking, een rijk Midden-Amerikaans land. De gangbare geld soort is de Amerikaanse dollar en er is veel aandacht geschonken aan goed gemarkeerde toeristische routes en attracties.
Na een overnachting bij Santa Ana, een rommelige stad met veel rondzwervend straatvuil, brengen we een bezoek aan de nabij gelegen archeologische
opgraving Tazumal. Het bijbehorende museum toont verschillende opgegraven beelden en aardewerk en het beeldmateriaal biedt ons de mogelijkheid om te gokken naar de geschiedenis maar bij gebrek aan voldoende kennis van het Spaans blijft het hierbij. De  belendende begraafplaats met ontelbare roze, blauwe, groene, gele en rode houten kruizen versiert met felgekleurde plastic bloemen, slingers en andere snuisterijen steekt vrolijk af tegen de grauw grijze betonnen treden van de historische tempel die we gek genoeg gewoon mogen beklimmen.

De rit naar San Cristobal de grensplaats met Quatamala loopt over goed onderhouden kronkelwegen door een prachtig groen berglandschap.
De grens doet denken aan oude films, een rivier met een forse stalen brug met aan de ene kant de slagbomen van El Salvador en aan de andere kant die van Quatamala. De douane levert geen problemen op en als we niet zelf gevraagd hadden om een binnenkomst stempel in Quatamala hadden we zo door kunnen rijden.
Aangezien er op de grensovergang alleen een paar eetstalletjes en een massa geldwisselaars te vinden zijn rijden we zonder kaart of enige andere informatie dan dat wat we vooraf op internet hebben kunnen vinden, de heuvels van Quatamala binnen op weg naar Antigua.
Ongewild rijden we Quatamala stad binnen, groot, modern, veel hoogbouw in glas en staal met overal dure autobedrijven en eettenten als Mac Donalds en Wimpy’s. Ook hier heeft de “ontwikkeling” niet stil gestaan al vragen we ons af wie deze commerciële overvloed in stand houdt met een bevolkingspercentage van meer dan 70% onder de armoedegrens.

Met hulp van een medeweggebruiker met tomtom vinden we de juiste afslag naar Antigua en na een lange dag rijden worden we getrakteerd op het prachtig koloniaal gerestaureerde stadje met kinderkopjes als wegdek en kleurrijke gevels en daken.
Antigua, omringd door drie vulkanen, werd in 1542 door de Spaanse veroveraars gesticht als hoofdstad van de Capitania General de Quatamala, een bestuurlijk onderdeel van het vice koninkrijk Nueva Espana dat het zuidelijke deel van Mexico en Midden-Amerika besloeg.
Rond 1700 werd het inwonerstal al op 70.000 geschat maar de stad werd getroffen door verschillende epidemieën en diverse aardbevingen eisten hun tol. In 1776 werd de hoofdstad verplaats naar het veiliger geachte Quatamala-stad waarna de naam werd verandert in Antiqua Quatamala, het oude Quatamala.
Het huidige Antigua ondergaat ondertussen een nieuwe bloeiperiode door zijn vele taalscholen (Spaans) en als toeristische trekpleister.
Een kleurrijk pension biedt ons voor $40 p.n. een eenvoudig onderdak en we besluiten de volgende dag met een gids de omgeving te bekijken.
Na een vorstelijk ontbijt in een prachtige binnentuin gaan we op stap met Fernando die ons een koffieplantage met droogproces laat zien. Het is mooi om te zien hoe de kleine groene koffie vruchtjes bij sommige struiken knalrood, dik en sappig zijn. We zien hoofdzakelijk vrouwen plukken met rondom hun benen, spelende kinderen. Ze plukken zowel de rode als de groene vruchtjes. Hierdoor blijft het overzichtelijk welke struiken nog vrucht dragen en de groene worden gebruikt voor een mindere kwaliteit koffie. Bij de droogvloeren worden de vruchtjes ontvelt waardoor alleen de pit (de koffieboon) overblijft die nadat ze in een grote centrifuges van hun ergste vocht zijn
verlost, buiten in bergjes in de zon te drogen worden gelegd. Iedere avond worden alle bonen in zakken gedaan om s’ochtend opnieuw over de schoon geveegde betonnen vloeren te worden uitgestrooid. Een uiterst arbeidsintensief proces dat gedurende het seizoen voor ruime werkgelegenheid zorgt.
Naast de koffieplantages wordt er rondom de stad veel landbouw bedreven door kleine boeren en we bezoeken een macademea plantage waar de macademea noot groeit, gerooid wordt en verwerkt wordt van boter tot olie en gezichtscrème.

De volgende dag rijden we naar het, 1500 meter hoog gelegen, meer Atitlan waar het aanzienlijk kouder is dan beneden.  We genieten van lokale markten met in kleurrijk geweven stoffen, geklede vrouwen en kinderen en van prachtige vergezichten over het meer op de aan de overkant gelegen vulkanen en we
overnachten dankzij Jan’s onderhandelings gave voor een betaalbaar bedrag in een meer dan riant hotel aan het meer. Vier dagen is veel te kort voor dit prachtige land maar het heeft ons het besef gegeven dat we hier beslist naar toe willen terugkeren.

Terug in El Salvador besluiten we na een stop bij de prachtige waterval Chorros de Las Caleras, terug te rijden naar Bahia del Sol want ons pakketje is gearriveerd dus we kunnen aan het werk.
Het blijkt dat we het zelf moeten ophalen bij de douane op de luchthaven dus nadat we de officiële documenten hebben opgehaald bij een kantoortje in San Salvador zet Jan me af bij de douane. In de tijd dat hij de huurauto wegbrengt kan ik het mooi even ophalen.
In eerste instantie leek het heel voorspoedig te gaan totdat een dame achter een loket vaststelde dat ik niet Witte Raaf maar Joanneke Backer heet en ze dus het pakketje niet aan mij kon afgeven. Dit diende opgehaald te worden door Witte Raaf. Ondanks mijn uitleg dat Witte Raaf een schip is en zodoende het pakketje niet eigenhandig kan afhalen en de benodigde scheepspapieren waarin duidelijk vermeld staat dat ik mede-eigenaar ben van Witte Raaf was ze niet te vermurwen. Wat haar betreft moest Witte Raaf verschijnen en daarmee basta.
Toen ik weigerde haar loket te verlaten en daarmee de rij achter mij ophield haalde ze een mannetje die me maar verder moest helpen. Aangezien dit mannetje niet wist wat hij met me aan moest koppelde hij me aan een ander mannetje die me naar een kantoortje bracht met nog veel meer mannetjes die allemaal bedenkelijk keken maar de oplossing niet wisten. Totdat een nieuw, nog ander mannetje, het licht zag EUREKA ik had een verklaring nodig die stelde dat ik Witte Raaf was. Zo gezegd zo gedaan en een half uurtje later verliet ik, gewapend met de benodigde verklaring, het kantoortje om hiermee de procedure opnieuw te beginnen. Vijf en een half uur later konden we als trotse eigenaren van het nieuwe profiseal, maar niet zonder het onder toezicht van een streng kijkende douanebeambte ring voor ring te hebben uitgepakt en de functie in hakkelend Spaans te hebben uitgelegd, de luchthaven verlaten.
We kunnen aan de slag.
Aangezien er geen kraan is die Witte Raaf op korte termijn uit het water kan tillen, besluiten we haar tegen een paar naast Santos huis voor dat doeleinde in het water geslagen palen droog te laten vallen. Witte Raaf kan met haar hefkiel gewoon op het zand staan en heeft normaliter geen steun van palen nodig maar met de hier sterk doorstaande getijde stroom is het handig om haar op de gewenste plek te houden. Aangezien Jan de motor zo min mogelijk wil gebruiken om binnen stromend zout water te voorkomen komt
Santos net voor dood tij met zijn panga langszij en leg ons keurig tussen de palen. Terwijl het water zakt, koppelen Jan en Santos alle onderdelen van de schroefas al zo ver mogelijk los en dat blijkt maar goed ook want in het totaal hebben ze precies een half uur waarin ze het oude seal kunnen verwijderen en het nieuwe kunnen bevestigen. Terwijl de laatste bouten worden aangehaald komt het water al weer op. Tien uur nadat Santos ons vanochtend heeft
opgehaald vaart Witte Raaf op eigen kracht terug naar haar mooring. Yes, we zijn van onderen weer waterdicht!
Voor een klein bedrag mogen we gebruik maken van de bij de marina
gelegen hotelfaciliteiten dus maak ik gebruik van hun vloeroppervlak om met rest-stukken een zonnetent voor ons voordek te maken. Het is een heel gepuzzel om van kleinere stukken een passend geheel te maken maar na een dag passen en meten en heel veel gezellige kletspraatjes is het klaar voor de naaimachine.

We zijn klaar voor vertrek, uitgeklaard en wel als de loods ons komt vertellen dat de branding te hoog is om de lagune te verlaten. Een dagje wachten dus al levert dit voor de immigratie officier in eerste instantie een onoverkomelijke probleem op. Pas nadat hij met zijn superieur in de stad heeft gesproken krijgen we een dag uitstel maar als we morgen nog niet weg kunnen moeten we opnieuw inklaren.

De volgende ochtend geeft onze loods een go, al meldt hij wel dat de golven nog hoog zijn. “”With your ship it will be oké” zeg hij opgewekt nadat we de hand signalen hebben doorgenomen die hij zal gebruiken en weg stuift hij terwijl wij hem volgen. Kris kras tussen bruisend wit branding water is er voor ons geen vaargeul te herkennen, we moeten blind vertrouwen op zijn kennis en ervaring.
Voor ons wordt het groene water opgestuwd door de eronder liggende zandbanken tot zo’n vier meter hoog voordat ze aan de kop omkrullen en brullend en bruisend omlaag storten. Voor surfers prachtig, voor ons beslist griezelig!
Ronaldo geeft het stopteken en tuurt voor zich uit. Stop is leuk maar dat legt ons dwars op de golven en dat is tussen al die brekers beslist niet wenselijk dus Jan houdt er een heel klein beetje gas op om roer te houden. Stop, stop, stop, seint Ronaldo weer terwijl rondom ons het water kolkt. En dan na een paar ellenlange minuten gaat zijn arm naar voren, “go, go, go”, brult hij terwijl hij op zijn jetski vooruit schiet. Witte Raaf komt met haar drieëntwintig ton maar langzaam in beweging, Ronaldo kijkt om en seint dat wij hem moeten volgen. Langzaam neemt onze snelheid toe en Jan stuurt haar achter de rode flits aan. Recht voor ons zien we een groene watermassa die langzaam en dan steeds sneller groeit tot een ontzagwekkende watermuur. Een paar meter voor ons krult ze om en stort ze neer over onze boeg. Van voor naar achter, één bruisende watermassa. “Hou je vast”, brult Jan boven het geweld uit, net voor het water de kuip bereikt en ons overspoelt.
We hebben nog maar net bij elkaar gecontroleerd of we beiden oké zijn als de tweede zich al aanmeldt. Hoger lijkt hij!
Opnieuw worden we ondergedompeld terwijl Jan zich aan het stuurrad vasthoudt en ik aan de grootschoot geklemd hang. De derde lijkt op zich te laten wachten. Terwijl Witte Raaf recht op de zich nog opbouwende watermassa afstormt, hoor ik mezelf met gekruiste vingers prevelen, “breek, alsjeblieft breek,….. Net voor we hem bereiken krult de kop. Woest bruist het water over ons heen maar Jan houdt zijn roer recht en even later kijken we om, terwijl we ons als natte honden uitschudden. We zijn er door!
Ronaldo komt bezorgt informeren; “Are you oke, I expected her to be faster”. Tja hij kan ook niet weten dat drieëntwintig ton nu eenmaal tijd nodig heeft om op gang te komen. Opgelucht lachend kunnen we hem melden wat we oké zijn, nu Talagoa nog.
We waarschuwen Ria en Waldy voor wateroverlast en dan is het afwachten. Ze lijken eindeloos te moeten wachten in het niemandsland voordat ze mogen en we zien de mast een paar keer vervaarlijk slingeren als ze dwars lijken te liggen. En dan krijgen ook zij het sein. De boeg draait en verdwijnt uit ‘t zicht. Alleen de mast is nog zichtbaar boven water. Steeds opnieuw overspoelt, zwoegt ze zich erdoor. Toekijken is enger dan zelf beleven. Als een duikboot komt de donker-blauwe boeg uit de laatste roller tevoorschijn.
In dit geval geven beelden het verhaal waarschijnlijk duidelijker weer dan ik het kan met woorden.     

Als we binnen kijken blijken ramen en luiken goed gefunctioneerd te hebben. Jammer dat de dekventilatoren
op deze watermassa niet berekend waren. De bielzen staan vol, dat wordt een dagje soppen. Dag El Salvador, we nemen je zoute water nog een stukje met ons mee.
Naar verslag 54