Startpagina.
Reisverslagen.
Het schip.
Wie zijn wij.
Het plan!.
Contact.

Verslag 4 > Oversteek Engeland > Noord Spanje


Falmouth > A Coruna - 14 t/m 17 juni 2006
Klokslag 10.00 uur varen we uit, uitgezwaaid door mensen die we pas net hebben ontmoet. We zetten de zeilen in de baai zodat we Falmouth onder zeil kunnen verlaten. Het is prachtig weer met een frisse bries.  Chicky, kleiner en lichter, volgt een kwartiertje later en haalt ons al gauw in. We varen samen op en krijgen vlak voor ons een show van de reddingsdienst te zien die mensen uit een helikopter aan dek van een van hun schepen laat zakken. Precisiewerk dat uitstekend verloopt.
Rond 12.00 uur zwakt de wind af tot 2 beaufort en besluiten we de motor bij te zetten want we willen vannacht voor 01.00 uur door de scheepsroutes zijn voor de kust van Ile d’ouessant (net boven Brest). Hier worden de schepen in een route geperst voor het kanaal richting Noordzee en aangezien het daar opeens veel smaller wordt kan het er flink druk zijn.
Na het passeren van deze ’shippinglanes’ zoals ze worden genoemd, willen we ons wachtsysteem laten ingaan. ’s Nachts drie uur op, drie uur af, overdag vier uur op en af.

’t is 08.00 uur ’s ochtends. My turn again. Twee en een half uur vast geslapen en het laatste half uurtje liggen soezen. Jan is moe en verdwijnt naar zijn kooi nadat we samen het grootzeil hebben bijgezet. We hebben een niet aangemelde passagier in de vorm van een duifje op de preekstoel. Gisteravond hadden we een kleine stormvogel die zich tussen de dinghy en de mast had verschanst en daar heerlijk uit de wind heeft zitten bijkomen en een paar uur geleden was er een andere duif die alweer vertrokken is. Al drie verstekelingen dus, hoe moet dat straks bij de douane, moeten we ze opgeven als passagier?

De hele kajuit ruikt naar vers brood maar dat moet nog even wachten. Eerst de situatie even opnemen. De fok schavielt tegen de radar-reflector die omlaag is komen zakken dus deze rol ik een stukje in. Voor het omhoog schuiven van de radar-reflector moet ik aan dek en we hebben de afspraak dat de een niet aan dek gaat zonder dat de ander erbij is. Dus dat moet wachten tot Jan weer wakker is.
Verder is alles oké, dus met een kop koffie in de ene hand en een warme bruine boterham met kaas in de andere, zit ik in de ingang van de kajuit en laat de ochtend op me inwerken. Een lekker windje, kracht 3/4, een nog wat vlak zonnetje dat wel haar best doet maar het dunne vliesje vocht nog niet weggebrand krijgt, een opgewekt krullend zeetje met hier en daar wat witte koppen en op de preekstoel een in elkaar gedoken figuurtje dat zich met ingetrokken koppie in evenwicht houdt op een stampende scheepsboeg.
Het is duidelijk een mensenduif want als ik tegen haar praat kijkt ze me met gestrekte nek aan en begint toilet te maken. Eerst worden de staartveren geordend, dan wordt, al zwiepend, vleugel na vleugel plat gestreken en als laatste worden de nekveertjes tot een mooie krop glad gelegd.

Ik maak wat bruin brood nat en kruip op mijn hurken langs de kajuit naar voren.  Niet echt handig op zo’n slingerend schip maar ik wil haar niet wegjagen.
Door een flinke slinger naar links ontdek ik dat zittend voorwaarts schuiven op mijn billen door het gangboord een prima alternatief is.
En dan opeens, vlak bij mijn hand een kop uit het water en jawel daar zijn ze weer. Niet een, niet tien maar wel honderd misschien. Groot, klein, sierlijk, snel, spelend, springend, bruisend, nieuwsgierig, luisterend lijkt wel en contact zoekend.
Ze omringen onze raaf en schieten zowel voor-, achter-, als onderlangs terwijl ze soms hun spierwitte buiken laten zien in hun draai. Ik schuif door naar voren waar ik om de ankerlier gekruld omlaag hang om te kijken naar hun uitdagende spel met onze boeg.
Deze zijn anders dan degene die we totnogtoe hebben gezien. Ze zijn grijsbruin van kleur op hun rug, vin en staart, hun flanken zijn getekend in een lichtgele ruit met een donker oog en hun borst, buik en onderkant van hun staart zijn spierwit. Een kort puffend geluid geeft aan wanneer ze adem halen. De uitademing is te zien in een baan van witte luchtbellen en opspattende waterdruppels.
Ze benaderen de boeg zowel van rechts als van links met fantastische snelheden en moeten regelmatig voor elkaar uitwijken. Geweldig om te zien hoe ze opeens de diepte in verdwijnen of scherp rechts uit de flank schieten om een ander door te laten zonder dat ze elkaar ooit raken. Sommige kleinere zitten nog op springles want die komen opeens tegengesteld uit een golfkop gesprongen waarna ze in zee terugvallen als een ‘bommetje’ in plaats van een sierlijke duik. Een koddige actie die nog niet echt van souplesse spreekt maar mijn lachspieren beslist activeert.
Ik kan niet beschrijven wat het contact met deze dieren precies met me doet behalve dat het me nederig maakt en dat ze me een uitgelaten gevoel van leven en blijdschap geven. Een soort tintelend bruisend gevoel in mijn aderen dat me doet lachen en zingen. Kortom, onbeschrijfelijk!
Ze begeleiden ons minstens twee uur en ik merk dat ze me meer dan riant van mijn werk houden. Dat wil zeggen, voorop heb ik natuurlijk een uitgelezen plekje om tegemoetkomende schepen te spotten maar ja degene die van achterop komen worden door mij nu toch echt minder goed waargenomen. Ook het bijhouden van het log vertoont opeens een kwartier verschil dus hier moet ik een nieuwe modus in vinden.

Met een heerlijk windje van achterin, 4/5, en een stralend zonnetje, varen we met wisselende zeilvoering over de golf van Biskaje richting Spanje. Chicky kan ons, nu we met motorvermogen varen, niet bijbenen en is na drie uur uit zicht en na twaalf uur niet meer op te vangen via de marifoon.
Het radiocontact met Hans en Anneke van Zwit verloopt daarentegen uitstekend. Het is leuk om zo van elkaar te kunnen horen hoe het gaat terwijl we 400 kilometer van elkaar verwijderd zijn. Ik ben ervan overtuigd dat we aan de radio nog een hoop lol aan gaan beleven.

Na ons vocht debacle bij de overtocht naar Dover, zijn we nu uitermate kien op het controleren van de waterstand in de bildge..Totnogtoe een keer twintig centimeter voorin en verder droog. Prachtig, maar het lost de vraag waar het water nu precies vandaan komt niet op.    
De wind varieert sterk en we zijn regelmatig op zoek naar de optimale setting van zeilen met en zonder motor voortstuwing. Vooral ’s nacht kiezen we soms voor comfort door de motor bij te zetten waardoor we wat minder slingeren. Het slingeren is een van de nadelen die achterin komende golven met zich mee brengen en Jan heeft moeite met slapen als hij geen wacht heeft. Een half uurtje lukt meestal wel maar dan komt dat verweesde koppie al weer aan dek.
We slapen momenteel trouwens in de kooi in de matrozenhut omdat je daar met behulp van het slinger-zeiltje redelijk rustig kunt liggen. Comfortabel en makkelijk want als je het een beetje goed aanpakt  hoef je het bed niet op te warmen.

Pas nadat ik zeker ben dat er geen dolfijn meer in de buurt is durf ik de vislijnen overboord te zetten. Tevergeefs want daar waar dolfijnen zijn, zit geen vis meer is een bekende vissers-klacht. Jammer dan, dan maar geen makreel salade, we hebben genoeg tonijn in blik.

Ondanks het gewiebel wordt er gewoon gekookt en warm gegeten ‘s avonds. Ik ben blij dat ik in tegenstelling tot anders, menu’s heb bedacht en voorbereid waardoor ik de ingrediënten bij de hand heb
en de voorraad niet helemaal overhoop hoef te halen.
’s Avonds en ‘s nachts sturen vanonder de zonnetent geeft een beschut gevoel dat nog eens verstrekt wordt door ons nu toch wel vastomlijnde gedrag van het dragen van onze sloffen tijdens het varen. Jan deed de Noordzee op zijn sloffen en ik heb me daar tijdens de Golf van Biskaje bij aangepast.
Het huiskamergevoel dat daaruit voortkomt is juist als het donker wordt heel prettig omdat de wereld
’s nachts heel klein wordt. De golven lijken opeens dichter bij, de geluiden lijken te worden opgeslokt door de duisternis, de navigatie verlichting werpt een spookachtig licht op de boeggolf en langs vliegende meeuwen lichten groen en/of rood op in de scheeps-verlichting.

Vannacht varen we regelmatig door mistbanken die de verlichting terug lijkt te werpen op onze Raaf. Ik ben blij met de radar en de AIS waarop ik regelmatig controleer of er ander scheepvaartverkeer onze route kruist. Als ik mijn hoofd weer boven het luik steek zie ik opeens een rood en een wit slingerend licht voor me opdoemen. Rood op rood is oké schiet het door mijn hoofd. Op de radar geeft hij nog steeds geen reflectie. Ik vertrouw het niet en bel zoals afgesproken, Jan uit zijn warme mandje. Hij is in twee seconde aan dek en bevestigd mijn vermoeden dat het een koerskruisende zeilboot is. Hij passeert ons op een halve mijl.
Na een half uurtje wacht lopen zijn ze er weer. Ik hoor ze eerder dan dat ik ze zie maar dan opeens licht het water op. Fluorescerende fosforstrepen schieten als aanstormende torpedo’s rondom en onderlangs. Net als vanmiddag halen ze de prachtigste capriolen uit maar nu zijn deze tot grote diepte zichtbaar doordat hun bewegingsbaan oplicht. Ze vergroten mijn nachtelijke wereld met vrolijke onstuimigheid. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat ze een voorkeur hebben voor muziek als er een aantal aan stuurboord in onze snelheid met ons mee zwemmen terwijl ik alle melodietjes die ik op mijn mondharmonica kan spelen, ten gehore breng.  
Ondertussen tonen anderen hun buiken terwijl ze uit het groenoplichtende schuim opspringen. Om twee uur zit mijn wacht erop en mag Jan verder van ze genieten. Jan heeft tijdens dit nachtelijk bezoek van onze vrienden, zoals hij zelf zegt, het licht gezien. “Uit respect en zorg voor dieren als deze moeten we erover waken dat er geen afval in het water terecht komt dat schadelijk voor ze kan zijn”, waren de woorden van mijn schipper de volgende morgen. Mensen die Jan goed kennen weten welk een omslag dit is. Een omslag die ik in al die jaren met discussies niet heb kunnen bereiken is in een nacht door een stel spelende
dartelende duveltjes uit doosjes bewerkstelligd.

Een raar akkefietje tijdens Jan zijn wacht was trouwens het opeens teruglopende toerental dat zich met meer gas niet liet compenseren. Bij de overdracht van de wacht heeft hij de motor even flink in zijn achteruit gezet en daarna was het weg. Hebben we een tijdlang een visnet of iets anders meegesleept met de kiel? Waren we daarom zo aantrekkelijk om onderdoor te duiken?
Van 12.30 uur tot 06.30 uur zijn ze bij ons geweest en hebben ze ons de weg gewezen richting Spanje.
Pas als we een grote vistrawler op zo’n anderhalve mijl passeren, verdwijnen ze.

De ochtend van de dag van aankomst begint grauw en grijs met verhullende nevelslierten. Het Spaanse vasteland verhuld zich hierin waardoor Cabo Prior, onze aanvaarrots, pas laat als een grote donkergrijze schaduw opdoemd uit het niets.
De wind is niet alleen afgenomen tot WK ½ maar ook nog een 180 graden gedraaid waardoor we hem recht op de neus hebben.

Twee uur later dan gepland lopen we de haven van A Coruna binnen. Zo op het eerste gezicht een