Startpagina.
Reisverslagen.
Het schip.
Wie zijn wij.
Het plan!.
Contact.

Verslag 18 De Spaanse zuidwest kust & de Algarve


Gibraltar – dinsdag 10 april 2007
Met onze poormenswifi – een Chinese schuimspaan met een wifi stikje aan een verlengkabel – pikken we een redelijk goed signaal op vanuit de haven dus kunnen we de mail binnen halen en bellen met het thuisfront. Gelukkig leven we anno 2007 waarin het gebruik van internet en telefonie helpt om het gevoel van frustratie over de afstand, dat ontstaat zodra er in je naaste omgeving iets gebeurd, te verkleinen.  
We genieten van de havenfaciliteiten in de vorm van een hete douche en elektra zodat we wat minder op ons tellen hoeven te passen met ons stroomverbruik. Als je ergens bewust wordt van stroomverbruik is het wel op een schip. De thuis zo vanzelfsprekende verlichting, die ik her en der mede als sfeerverlichting aan doe, pleegt aan boord direct een aanslag op de accu’s. In tegenstelling tot thuis, waar je pas achteraf met een rekening geconfronteerd wordt - die door de voorschot methodiek meestal het directe verbruik ook nog niet inzichtelijk maakt anders dan door de jaarlijkse verhoging van het maandbedrag – vormen aan boord de accu’s het limiet. Zijn ze leeg dan doet niets het meer dus is het zaak ze enerzijds zoveel mogelijk te sparen en anderzijds ervoor te zorgen dat ze tijdig worden opgeladen. Dit kan op verschillende manieren, namelijk;
- Middels elektra in de haven die je vanaf het steiger via een     
 elektriciteitskabel binnen krijgt,
- Via de motor die als bij een auto, als hij draait de accu oplaad,
- Via de generator, die als je die aan boord hebt, dezelfde functie
 heeft als de motor,
- Via zonne-panelen, die alleen als de zon recht van boven schijnt, een
 beperkte hoeveelheid stroom levert,
- Via een windgenerator, die net als de grote windturbines, stroom
 levert als het waait.

Op de zonne-panelen na maken we van alle bovenstaande mogelijkheden gebruik maar vooral de windgenerator heeft ons de afgelopen maanden bezig gehouden. Voor vertrek uit Nederland was ons een Air X geadviseerd met ‘nieuwe’ schoepen die veel geruislozer zouden zijn dan de ‘oude’. Mocht deze optie niet aan de verwachting voldoen dan kunnen we hem met bijbetaling, omruilen voor een D400. Een veel zwaardere maar stille machine.
Nog in Nederland bleek er een dis balans te bestaan in onze ‘nieuwe’ schoepen combinatie, waardoor het hele achterschip vibreerde, dus kregen we zo lang een oud setje schoepen mee op reis, tot de ‘nieuwe’ binnen zouden zijn. .
Eerlijkheid dwingt mij te vermelden dat de Air X beslist deed wat hij moest doen, namelijk zelfs bij weinig wind, stroom produceren maar naast stroom produceert hij ook een indrukwekkende hoeveelheid herrie die hem al snel de bijnaam Dracula oplevert.
Bij zo’n 15 tot 20 knopen klinkt het of er windkracht 8 staat en zodra de wind boven de 25 knopen stijgt, lijkt het of er recht boven ons hoofd een straaljager opstart. Niet echt rustgevend voor een goede nachtrust en beslist niet sociaal als je met meerdere schepen van de schoonheid en rust in een prachtige baai wilt genieten en het schaamrood onze kaken kleurt als Dracula weer eens één van zijn befaamde uitschieters laat horen.
Resultaat; Dracula stond meestal UIT! Reden genoeg om hem in december mee terug te nemen naar NL en hem, zoals afgesproken, om te ruilen voor een D400.  
Met een gewicht van zo’n 20 kg is deze niet echt aantrekkelijk om mee te nemen in een vliegtuig maar met de angst voor zoek raken in het achterhoofd slepen we onze nieuwste aanwinst toch maar mee als extra bagage.
In Palma heeft Jan hem met hulp van onze buurman Ricky op de plek van Dracula geïnstalleerd en ondertussen heeft hij zijn nieuwe naam, Smoothy, al dubbel en dwars verdiend. Hij mag dan groot, zwaar en misschien niet moeders mooiste zijn, hij is beslist stil - hij staat ’s nachts gewoon aan en we slapen er prima bij – terwijl hij bij ± 15 knopen wind heel smooth ± 4 tot 5 ampères levert en boven de 20 knopen al gauw 10 ampères.  Hij begrijpt als geen ander dat op een zeilschip “zwijgen is goud” van toepassing is.
Beslist een aanrader dus! Met de complimenten voor en de hartelijke dank aan de firma Rietpol in Spaarndam

Gibraltar > Rota – zondag 15 april 2007
Na vier dagen Gibraltar is het tijd om verder te gaan. Dit mede in verband met de windverwachting die er voor de doorgang door
‘de straat’, goed uitziet. Naast wind is het belangrijk om te kijken naar de stroom die hier tweeledig is. Er is een constante stroom vanaf de Atlantische oceaan naar binnen om het Middellandse zeewater op niveau te houden en er is een wisselende stroom die veroorzaakt wordt door eb en vloed.  Zoals ergens in verslag 17 beschreven is wind tegen stroom niet fijn dus is het zaak om wind en stroom zoveel mogelijk dezelfde kant op te hebben. Voor ons betekend dit: om 04.00 uur ’s ochtends, anker op.

Het is een heldere nacht met een mooi scherp afgetekend sinterklaas maantje. We steken de baai van Gibraltar diagonaal over terwijl we tussen de wachtende olietankers door laveren. Aan de overkant glinsteren de lichtjes van slapende Marokkaanse dorpjes en steden en aan bakboord glijden grote commerciële jongens voorbij. Ondanks of misschien beter gezegd dankzij, de ebstroom die we  mee hebben, staat er maar twee mijl stroom tegen in de straat. Het gloort in het oosten en de Noord Afrikaanse heuvels in de verte kleuren paars op.
Zodra we Kaap Tarifa voorbij zijn, krijgen we het volledige voordeel van de ebstroom en schieten we opeens met 10 knopen (18 km p/u en voor ons heeeel hard) over de grond richting Cadiz.
Zowel de Spaanse als de Portugese vissers hebben hun tonijn-netten alweer uitgezet om de momenteel langs de kust optrekkende tonijnen die op weg zijn naar hun paargebied in de Middellandse zee, te vangen. Vijf mijl lange netten, verankerd aan de bodem en opgezet in specifieke patronen waardoor de vis zich vanzelf klem zwemt en er met geen mogelijkheid meer uitkomt. Voor de vissers is het alleen nog maar een kwestie van omsingelen met verschillende boten, gezamenlijk de onderlijnen aantrekken en dan alle vis die boven water uitkomt met de pikhaak binnenhalen. Wreed en voor de tonijn vrijwel kansloos als ze eenmaal in het net zitten maar nog altijd eerlijker dan het fabriekswerk van de reusachtig grote o.a. Nederlandse vistrawlers. Om niet achter te blijven is het voor ons dus hoog tijd om onze nieuwe, in Gibraltar aangeschafte inky’s te water te laten.
Heerlijk, stralend weer, een lekker windje, niets gevangen maar fantastisch gezeild. Om 15.00 uur meren we af in de jachthaven van Rota, een oud stadje aan de baai van Cadiz.

Cadiz en Sevilla – 16/17 april 2007
Andalusie, beschreven als de meest afwisselende regio van Spanje. Woestijn, Moorse koepels en bogen, Azulejos, natuurreservaten, sherry, stierenvechten, Flamenco met de castagnetten, noem het op en je vind het hier.
De volgende twee dagen staan in het kader van kunst, cultuur en oude stenen. We bezoeken eerst Cadiz, een mooie en volgens sommige geschriften de oudste Europese stad die 1100 v C. gesticht is door de Phoeniciers.
We varen met het pontje over dat ons midden in de stad afzet. Zowel in vele historische gebouwen als in de woningen in het oude gedeelte van de stad zijn de Moorse invloeden nog goed zichtbaar. Vooral de camera obscura die gevestigd is in de Tafira toren, geeft een mooi overzichtelijk beeld van de stad.
De volgende ochtend vertrekken we heel vroeg naar Sevilla. Volgens onze gids is de rivier naar Sevilla saai en oninteressant en ligt de jachthaven een heel eind buiten de stad dus dan maar met de bus. Bij binnenkomst worden we verrast door enorme parken met prachtige imposante oude bomen en al snel realiseren we ons dat we in deze stad wel een week kunnen blijven en dan nog niet alles gezien. Keuzes maken dus! We kiezen voor het oude centrum dat geheel te belopen is en daarbinnen bezoeken we het Hospital de los Venerables met een prachtig fresco van Juan de Valdes, de Kathedraal met La Giralda de toren die tijdens vier verbouwingen, langzaam van Moorse minaret (1198) tot Christelijke klokkentoren (1558, laatste keer) is omgevormd en het indrukwekkende Real Alcazar, sinds 1364 de koninklijke residentie waar onder andere Karel de vijfde heeft vertoefd
Daarnaast willen we buiten het centrum, de arena waar het stierengevecht wordt gehouden, bezoeken. Deze staat te boek als de mooiste van Spanje. Iedere dag open volgens onze gids, met uitzondering van de dagen dat er ’s avonds een gevecht plaats vindt. Vandaag dus.
Op het moment dat wij er aankomen, worden net de stieren uitgeladen, die het die avond op moeten nemen tegen drie matadors. Om een hoekje zien we een aantal paarden die worden geborsteld maar verder blijft het heiligdom ook voor onze ogen gesloten.
Een uurtje later op een terras constateren we, dat ik een uitgesproken mening heb over het stierengevecht zonder dat ik er ooit één in werkelijkheid heb gezien. Wie ben ik om een al ruim twee honderd jaar voortdurend cultureel spektakel te veroordelen zonder dat ik echt weet hoe het er aan toe gaat en wat er zich nu precies afspeelt. Jan heeft, toen hij twintig was, eens een gevecht gezien maar weet niet goed meer hoe dat verliep. Hij beloofd me dat we er te allen tijden uit kunnen dus we besluiten terug te gaan naar de arena.

Twee kaartjes voor de bovenste ring en alsnog het Walhalla in.
De piste is prachtig aangeharkt en als we binnenkomen wordt hij besproeid om stuifzand te voorkomen. We zitten drie kwartier voor aanvang al op onze plekjes dus hebben we rustig de tijd om alles te bekijken. Het publiek is uiterst gemêleerd, families met kinderen, echtparen, groepjes oudere mannen en vrouwen alleen en samen, variërend in leeftijd.
Klokslag 18.30 uur klinkt trompetgeschal, vijf zilveren en drie gouden heren betreden de arena, gevolgd door zes paarden met rieten lichaamsbedekking, bereden door mannen met lansen. Aan het einde van de stoet rijd een span van zes paarden die een houten dwarsbalk achter zich aan trekken. Er wordt gejuicht en geapplaudisseerd terwijl de zilveren en gouden mannen sierlijk buigen voor het publiek.
Zodra de paarden de arena hebben verlaten klinkt de trompet weer. Nu komt een prachtige zwarte stier de arena in gegaloppeerd.  Hij rent rechtstreeks naar de zilveren mannetjes die aan de overkant met roze doeken staan te zwaaien. Zodra de stier in de buurt komt, duikt het ene zilveren figuurtje achter een houten schot dat hiervoor in de afschermende rand van de arena is gemaakt en tegelijkertijd springt er een eind verderop een mannetje tevoorschijn om de stier daar naar toe te lokken. Zo laten ze hem een paar baantjes rennen totdat trompetgeschal een nieuwe ontwikkeling aankondigt. Aan de overzijde van de arena worden twee geblinddoekte paarden met rietbekleding de arena binnen gereden door twee mannen met lansen. Beiden rijden een andere kant op en stoppen vlak bij een van de zilveren mannetjes die ondertussen nog steeds de stier proberen uit te dagen met hun roze lap. De stier is ondertussen geagiteerd door al die zich steeds verstoppende mannetjes en schiet zodra hij een van de paarden in zijn ooghoek krijgt op het paard af en schept deze met zijn horens. Het paard ziet hem niet komen en staat stokstijf terwijl hij opgetild wordt.
Onder de rietbedekking bevinden zich stalen platen zodat het paard niet gewond raakt. De eerste keer dat dit gebeurde dacht ik dat dit een fout was maar achteraf bleek het gepland want zodra de stier het paard op de horens heeft, prikt de ruiter zijn lans in de rug en schouderpartij van de stier. Hoe vaak en hoe diep is niet te zien maar ik heb daar zo mijn gedachten over. Zodra men het voldoende acht mag de trompettist weer toeteren en worden de paarden afgevoerd terwijl jawel, de matador eindelijk in eigen persoon maar nog steeds samen met de vijf zilveren en nog twee blauwe mannetjes in de arena verschijnt om de stier te vermoeien met wapperende lappen. De twee blauwe mannetjes zijn degene die zonder verdere bescherming op de stier aflopen en met een snoekduik twee irritatie steekpennen in de rug van de stier gooien die erin blijven hangen. Als de stier achter een van deze blauwe mannen aan gaat zit er niets anders voor hem op dan over de wand te springen om aan de horens te ontkomen. In mijn ogen zijn zij de enigen die risico lopen gedurende “het gevecht”. Zodra de gemene steekstokken zijn geplaatst is het eindelijk tijd voor de matador om alleen in het voetlicht  te treden. Gekleed in het goud met een rode doek. De stier heeft nu duidelijk pijn  en het bloed stroomt langs zijn flanken. De matador wappert met zijn lap en daagt hem uit om op hem af te komen maar de stier is nu zo vermoeid dat hij nauwelijks nog vooruit komt laat staan dat hij een gevaar zou kunnen vormen voor de man in het goud. Deze pesterij wordt eindeloos gerekt tot eer en glorie van de gouden man totdat het zelfs het publiek te gortig wordt en er een fluitconcert oprijst. Dit is het moment waarop de degen over de wand wordt aangegeven welke de matador in een vloeiende beweging dient te gebruiken voor de genadestoot in het hart. Zodra de stier omvalt komt het zesspan hem ophalen en wordt hij aan de ploeg de arena uitgesleurd. Een roemloos einde voor een prachtige trots dier. Voordat ik kan bekomen van dit alles schalt de trompet opnieuw ter aankondiging van het volgende spektakel en galoppeert de volgende stier zijn gewisse dood tegemoet.
Drie dode stieren in nog geen vijfenveertig minuten! Verontwaardigd, met minstens drie knopen in mijn buik kan ik nu uit ervaring spreken en kan ik dus in volle overtuiging stellen dat ik stierenvechten = stierenpesten met dodelijke afloop, wreed, laf, onsportief, gemeen, dieronterend en niet ‘meer’ van deze tijd vind, waarbij ik iedere petitie, actiegroep en protest zal steunen die het stierengevecht binnen de Europese Unie als sport en/of volksvermaak verbied en ik hoop jullie na het lezen van dit verhaal ook.   
De stier heeft geen schijn van kans en de matador laat zich pas zien als de stier al dusdanig is vermoeid, beschadigd en toegetakeld dat hij eigenlijk geen poot meer voor de ander kan zetten. Haantjesgedrag voor te grote ego’s moet mijns inziens op minder schadelijke manieren tot uiting gebracht kunnen worden.  

Deze ervaring doet trouwens niets af aan de schoonheid van Sevilla. Een prachtige zeer veelzijdige stad waar we graag nog eens terug zullen keren.

Rota > Guadiana rivier – donderdag 19 april 2007
Na twee dagen oude stenen raken we beiden voldaan en hebben we weer even
genoeg historie en cultuur opgesnoven, dus hoog tijd voor natuur. Met een korte nachtstop in Chipiona vertrekken we vroeg en zien we rond tien uur onze eerste echte zeeschildpad. Heel eigenwijs steekt hij zijn koppie boven water samen met zijn rechter voorpoot als hij zeggen wil; “hé Dude, take it easy and enjoy.” Een uurtje later zien we een vin van een sunfish = maanvis oftewel een Flappie boven water uit flapperen en nog een half uur later moeten we vol in de achteruit als we zowel met ons inky als met de makrelenlijn een vissersvlag met de daaronder vastzittende lijn hebben gevangen.
Na een hoop gestuntel met luid klapperende zeilen krijgen we gelukkig zowel inky als de makrelenlijn los en kunnen we verder. Tegen het middaguur arriveren we in de monding van de Guadiana rivier waar we de vorige herfst zo’n geweldige stop hebben gehad. Net als vorig jaar gaan we voor anker in het ondiepe hoekje tegenover de jachthaven van Ayamonte waar we een goed uitzicht hebben op de lepelaars die hier bij eb komen foerageren.  

Guadiana rivier > Tavira – zaterdag 21 april 2007
Met afgaand water gaan we anker op zodat we met de stroom mee naar buiten worden gezet. Ook nu gaan de vislijnen weer uit en ook nu weer zonder enig resultaat. Het lijkt wel of er in dit Atlantische gedeelte geen vis zit die honger heeft. Jammer voor ons natuurlijk maar ook jammer voor Rudi en Marijke van de Lizzy die wel zin hebben in een vers visje. Na onze ontmoeting in oktober op Mallorca, Gaan we hun nu hier aan de Zuid Portugese kust weer zien. Zij hebben de afgelopen winter op de Guadiana rivier overwinterd en liggen nu tussen Tavira en Santa Luzia op een smal stukje water naast het prachtige eiland Tavira.
Het weerzien met Rudi en Marijke is uitermate gezellig en we leggen onze Raaf vlak bij de Lizzy. Zowel ’s ochtends als ’s avonds varen de plaatselijke vissers vlak langs op weg naar hun fuiken en netten maar verder komt er hier werkelijk geen kip langs. Aan het steiger hangen prachtige mosselen die we ’s avonds omzetten tot een maaltje voor vier en aan de andere kant lonkt de Atlantische oceaan met prachtig heldere groene golven die op spierwit zand stuk slaan. Te aantrekkelijk om weerstand aan te bieden dus voor de eerste keer zwemmen dit seizoen.
Aangezien de ondergrond er op sommige stukken stevig uit ziet besluiten we onze Raaf droog te laten vallen zodat we haar ravenbuik na een lui verblijf in de Middellandse zee, weer eens goed schoon kunnen maken en de schroef en werkweigerende boegschroef aan een nader onderzoek kunnen onderwerpen.
Zodra het eerste licht aan de hemel gloort varen we haar de kant op (blijft spannend!) tot ze vast ligt. Daarna brengen we met BB het hekanker uit zodat dat ons, zodra het water weer op komt, van de kant afhoudt als de wind mocht draaien.
Zodra we alles wat we gedurende de dag nodig hebben in BB hebben geladen is het een kwestie van wachten tot we er bij kunnen. Het water is ijskoud maar dit weerhoudt ons er niet van om daar waar we erbij kunnen de aangroei en de zeepokken te lijf te gaan. In de holte van de boegschroef heeft zich een complete illegale kolonie zeepokken gevestigd die niet van plan is om zich zonder slag of stoot te laten verwijderen. Ook de schroef blijkt een geliefde huisvesting te bieden en boven op het roer groeien zelfs kleine boompjes.  
Het is jammer dat algen, wier en pokken niet standvastiger zijn wat betreft hun keuze voor leef- en woonomstandigheden. Je zou toch denken dat een gemiddelde Middellandse zee zeepok, van stand zich niet zomaar door een anonieme scheepsbuik, laat meenemen naar de veel koudere en minder elitaire Atlantische oceaan. Zou het niet geweldig zijn als iedere bevolkingsgroep in zijn eigen zee of oceaan zou willen blijven en dus bij de grens gewoon loslaat en wacht op een ‘nieuwe’ buik die ze de andere kant weer mee opneemt. Voor ons zou dat betekenen dat we bij teveel aangroei gewoon een tijdje van zee of oceaan moeten wisselen.
Geen gekrab meer, gewoon een keertje extra door de straat van Gibraltar.
Tot het zover is moeten we gewoon blijven krabben en ik kan iedereen aanraden dat in de buurt van de Lizzy te doen want dan wordt de inwendige mens verwend met koffie en koek, HEERLIJK!
Het tijverschil is niet zo groot dat de Raaf geheel droog valt maar al met al voldoende om haar helemaal schoon te kunnen maken. Nu hebben we nogmaals een tij nodig om een nieuwe laag anti-fouling op te zetten en dan kan ze er weer een jaartje tegen aan. Dit willen we over een paar dagen doen als het hoogteverschil groter wordt doordat we dichter bij springtij (volle maan) komen.
Na een uitermate gezellig lunch met Rudi en Marijke in Santa Luzia besluiten wij het waddengebied bij Faro te onderzoeken op droogval mogelijkheden.

Tavira > Olhao – donderdag 26 april 2007
Om bij Olhao te komen moeten we het natuurgebied van Ria Formosa met  opkomend water binnenvaren. Er staat flink wat stroom het gat in en het is belangrijk om ons goed aan de boeien te houden om nergens vast te lopen. De bodem bestaat hier grotendeels uit modder en zand maar met het naderende springtij kan het even duren voordat je weer loskomt dus houden we ons braaf aan de aangegeven route.
Olhao is een klein Moors stadje dat wordt gedomineerd door twee grote donkerrode markthallen waar iedere dag groente, vlees en vis wordt verkocht. Hier recht tegenover vinden wij een plekje voor onze Raaf tussen de twee bestaande haventjes in. De volgende dag als de plaatselijke marktkooplui hun waren aanbieden op de kade is het niet alleen op de kade maar ook op het water een drukte van belang. Kooplui die hun waren komen uitladen varen nog net niet over onze ankerketting heen en inkopend publiek van de dichtbij gelegen eilanden komen met hun bootje boodschappen doen.
Alles blijkt te koop, van levende kippen tot slakken in drie verschillende maatjes die steeds gezellig proberen naar elkaar over te kruipen.. En daartussen is natuurlijk heel veel verse groente en fruit uit de tuin, te koop.
De beloofde Fado, waar ook Rudi en Marijke op af gekomen zijn, blijft jammer genoeg vanavond uit, dus halen we de volgende ochtend nadat Jan bij de bakker verse broodjes heeft gehaald, ons anker op en varen we via een spannende sluiproute, (zonder boeien dit keer) langs verschillende ondieptes die zich ernstig duidelijk aftekenden in het helder groene water, naar een prachtig plekje in de luwte van het eiland Culatra.

Ilha da Culatra – zondag 29 april 2007
We liggen hier op een paradijselijk stukje aarde!
Ook hier ziet de ondergrond er goed uit al is het wel heel vroeg, (03.00 uur) hoog water. Tussen hoog en laag water hebben we zes uur. Om droog te kunnen vallen moeten we onze Raaf zo’n twee uur na hoog water, dus in dit geval al om 05.00 uur en dus in het donker, de kant op moeten varen. We vinden het normaal al spannend maar het gebrek aan licht doet daar nog een schepje bovenop. Als indicatoren plaatsen we op koninginnedag een hoge stok op de wal en leggen we op de plek waar we willen liggen een boeitje aan een steen vast zodat we deze twee in één lijn kunnen houden. Van echt slapen komt weinig en zodra het tijd is staan we er naast. 1 mei, dag van de arbeid, het waait zo’n 11 knopen schuin van achterin dus het is zaak om zodra we vastlopen het hekanker uit te brengen in de richting van de wind zodat de Raaf niet met haar kont wordt omgeblazen.
Oefening baart kunst, blijkt na een half uurtje als onze Raaf precies daar ligt waar we haar willen hebben. Nu hebben we opeens tijd over want we kunnen pas aan het werk als het licht is. Rond 06.15 uur staan we beiden tot onze knieën in het koude water en schuren en sponzen we alles waar we bij kunnen schoon.

De Lizzy gaat er al vroeg vandoor. Zij gaan vandaag een bezoekje brengen aan Villamoura.
Dit keer komt onze Raaf helemaal droog te staan en in een race tegen het tij kunnen we precies binnen de benodigde tijd, haar kobalt blauwe buik een nieuw laagje anti-fouling geven. Baby blauw dit keer. We wisten dat het wat lichter blauw zou zijn, maar zo licht,……. Zoet!
Er is zelfs tijd om de schroef een beurt te geven, deze wordt door Jan weer  eens goed in het vet gezet. Moe en door en door koud klimmen we zodra het water terrein wint, via BB weer aan boord. Nu is het een kwestie van opwarmen onder een hete douche en wachten tot er weer voldoende water onder de kiel staat zodat we haar via de hek-ankerlijn weer vrij kunnen trekken.
Een uurtje later komt ze los waarbij de wind die behulpzaam op de kop staat, haar omblaast. Een kwartiertje later liggen we weer achter ons anker, de Raaf met een hemelsblauwe buik en een schone en gevette schroef, en wij afgemat maar vers gedoucht.
Morgen wordt er veel wind en regen verwacht dus een prima optie voor een dagje cocoonen, of beter gezegd kalkoenen maar dat alleen als er kwarteltjes op het menu staan.
De tweede dag na onze noeste arbeid blijkt qua spierpijn nog heftiger dan de eerste maar dat weerhoudt ons er niet van om het eiland Culatra te voet te ronden. Op de plaat wandelt een ooievaar op zoek naar eten, Even verderop wandelen er twee en nog wat verder zelfs drie in gezelschap van een zilverreiger. Vol ontzag blijf ik fotograferen terwijl de Portugese schelpenzoekers niet op of om kijken. Zodra we een paar dagen later in Faro rondlopen blijkt al snel waarom men hier niet echt warm loopt voor deze vogelsoort. Op iedere schoorsteen en/of toren ligt een nest met één of twee van die kinderbezorgers erop. Zoals wij in Nederland duiven hebben, zo hebben ze hier ooievaars.     
Het eiland Culatra is prachtig. Op een paar kleine nederzettingen na is het grotendeels onbewoond. Met wat lage begroeiing met her en der prachtige bloemen in het midden en schitterende witte zandstranden aan de oceaankant is het een waar schelpenparadijs.

Culatra > Faro – donderdag 3 mei 2007
Vanaf onze ankerplek hebben we een mooi uitzicht op de stad Faro en aangezien het maar zo’n 3 mijl varen is, besluiten we in de middag alsnog te verkassen. De stad heeft geen haven en het omsluitende waddengebied biedt maar een paar plekjes die diep genoeg zijn om te liggen. Zo vroeg in het seizoen zijn er nog moorings vrij dus daar pikken we er één van op. Daar liggen we dan, vlak naast de landingsbaan waar iedere vijf minuten een charter binnenkomt. Goeie oude tijden herrijzen als er om ’s ochtends om 07.00 uur al vier
groene T staarten naast elkaar op het platform staan. Vrijdag, Faro-dag voor Transavia!

Vooral de oude stad is een bezoek waard. Hiervoor gebruiken we BB want met onze Raaf kunnen we met geen mogelijkheid bij de kant komen.
Binnen de resten van de oude stadmuren staat het nog steeds in gebruik zijnde 18de-eeuwse bisschoppelijk paleis dat geflankeerd wordt door sinasappelbomen en op de torenspits van de kathedraal zitten twee ooievaars te broeden. Beiden kijken hautain en niet onder de indruk, op ons neer als we ze tot zo’n drie meter naderen.
Verder biedt de stad een gezellig winkelgebied met een voetgangerszone en een zeer uitgebreide markt voor verswaren zoals vis, vlees, groente en fruit.

Na de laatste inkopen besluiten we om morgenochtend vroeg weer verder te gaan, dus verhalen we onze Raaf ’s avonds naar een plekje naast de vaargeul zodat we morgen geen last hebben van de ondiepte die bij eb droog valt. maar hierover verder in verslag 19.